Kinderen van de Natuur

Hieronder staan de eerste hoofdstukken van een boek dat ik ooit begon. Ik heb ook meerdere gigantisch bestanden met notities, plannen, ideeën, worldbuilding, en meer … die ik volledig heb genegeerd en nooit gebruikt. (Check de broncode van deze website als je die wilt lezen.)

Ik bedacht dit idee toen ik nog op de middelbare school zat: een fantasy verhaal waarbij de magie gewoon verklaarbaar is met natuurwetten en wetenschap en dergelijke. Langzaam draaide het idee naar drie verhaallijnen, in verschillende tijdperken, die uiteindelijk samenkomen met allerlei twists en dergelijke.

Het probleem is dat ik het idee bedacht voordat ik tools had ontwikkeld om om te gaan met mijn hyperactieve hoofd. Ik had geen goede werkstructuur, geen duidelijk plan, geen deadline, niks. Het gevolg is dan vrij snel dat je een paar dagen enorm veel werkt aan het boek en hem vervolgens laat vallen omdat je niet meer weet wat je moet doen.

Inmiddels heb ik wél die discipline om dingen af te maken, wat ook betekent dat ik dus voor andere projecten heb gekozen en deze zelf nooit meer zal afmaken. Daarom deel ik hem nu hier.

De werktitel van dit project was lange tijd Natuurneven. Vreselijke titel, maar je moet het een naampje geven, en nog altijd beter dan Natuurnichten :p

Proloog

Laten we beginnen met een korte quiz.

Wie ben ik? De persoon die faalde om de wereld te redden.

Waarom schrijf ik dit? Lang verhaal. Een of andere vent had me overtuigd dat het van levensbelang was. Hij leek dat vaker te hebben gedaan.

Wat moet je niet vergeten bij een bezoek aan je eigen begrafenis? Een sjaal.

Een lange sjaal, bij voorkeur, met een onopvallende kleur. Je zou niet willen dat mensen je herkennen.

Rode ogen, vloeiende tranen, eindeloze gedichten met prachtige woorden, de spreker zegt iets clichés als “je bent zo jong gestorven” en “je had nog zo’n mooie toekomst voor je”, draait zich om, en bam—sta je daar ineens, levend en al.

Of nouja, zo had ik het me altijd voorgesteld. In werkelijkheid is het maar koud, zo’n graf, en eenzaam. Energie nemen van de aarde is hartstikke leuk, die energie ook weer terug moeten geven is wat minder.

Er komen vast wel een paar mensen naar mijn begrafenis, maar niet voor mij. Misschien hadden ze erover gelezen in de krant of kwamen ze toevallig langs. Hoewel ik niet inzie waarom je spontaan mee zou gaan doen met een begrafenis.

Nee, de mensen die mij écht kenden, die blijven weg. Mijn beste vrienden, mijn lieve familie, mijn docenten en mentoren, iedereen waarmee ik mijn leven heb gedeeld, ze weten wel beter. Ze komen hun afspraak na, dus ze komen niet.

Met de laatste begrafenisgast ver aan de horizon, wuif ik mijn handen en teleporteer direct naar de andere kant van de wereld. De handeling voelt inmiddels vertrouwd aan, alsof ik mijn hele leven al op deze manier verplaats, terwijl dat natuurlijk verre van waar is. Zou wat zijn—heb je net een zware bevalling achter de rug, blijkt je baby te teleporteren.

Mijn geliefde staat zwaaiend in de deuropening, glimlach op het gezicht, onze pasgeboren dochter in de armen. Een prachtige nazomerzon verlicht ons zelfgebouwde huis, net buiten de grote stad, randje wildernis. Ik voel vaders energie trots op ons neerkijken, ook al zei hij altijd dat ik op mijn twintigste nog niet aan kinderen moest beginnen.

Hoewel ik technisch gezien natuurlijk geen twintig ben. Als mensen ernaar vragen, zet ik een onnozel lachje op en noem mijn leeftijd “ongedefinieerd”. Ze lijken het te accepteren.

En toch haat ik mezelf. Ik kan alleen maar denken aan de gemiste kansen. Al die plannen die ik had. Ik zou oud worden met mijn beste vrienden, ik zou met mijn bejaarde ouders een balletje overgooien in de achtertuin, ik zou een fatsoenlijke carrière kiezen en niet met de verkeerde leuke persoon—sorry schat—een kind krijgen. Ik had beloofd dat hele opgroeigebeuren goed te doen, aan mezelf en zeker aan de omgeving.

Maar weet je wat nog het ergste is? Ik moet mijn dochter ooit gaan vertellen hoe de wereld ervoor staat—en hoe dat mijn schuld is.

A.1 De Aardige­­­

Soms zie ik dingen die anderen niet ­­zien. Soms verandert een ijskoude windvlaag mijn lichaam in kippenvel op een zonnige dag. Soms hoor ik een onzichtbare vogel zingen, maar nooit als jij er bent.

Het regende in Enriels kerker. Het regende onweerdruppels door het verweerde dak, tranen over zijn gemis, uitbarstingen van ongekende woede, maar bovenal regende het verbazing.

Gisteren nog had hij een brief ontvangen. Zijn buren die hun steun betuigden. Wij weten dat je onschuldig bent. Wij kennen geen betere man dan jij. De nadruk op “wij” —de rest vond dus dat hij eeuwig mocht rotten in de cel?

Waarom hij? Waarom was hij opgepakt en moest hij zich verantwoorden?

Zijn gedachten keerden steeds weer terug naar dat moment, nu precies een week geleden. Hij kon elke seconde opnieuw afspelen, maar het beeld bleef troebel en alle woorden vervormden tot vreemde fluisteringen.

Slechts één cryptische laatste zin bleef hangen: nooit als jij er bent. Wat bedoelde ze daarmee? Wat had hij gedaan? Wat had hij iemand ooit aangedaan?

En toch moest hij aan de gehele raad uitleggen wat er precies was gebeurd, nog geen week nadat hij de liefde van zijn leven was verloren.

Zijn buren mochten hun loftuitingen schrijven, het hele dorp mocht van zijn part zingen over zijn heldendaden, hier in de gevangenis werd hij behandeld als de grootste crimineel die Twirran ooit had gezien.

Een bewaker verscheen voor de tralies. De Aardige, zo had hij hem genoemd. Met een droevig gezicht opende hij de celdeur en keek Enriel recht in de ogen aan.

“Het is zo ver.”

Als hij wilde, kon hij zo vluchten. Hij was minstens zo sterk als alle bewakers en hij had een gebroken hart om hem oneindige roekeloosheid te schenken. Maar dan zou hij eeuwig op de vlucht zijn. Hij moest vertrouwen dat het goed kwam, dat de raad hem geloofde en hem in ere zou herstellen.

“Ah, krijg ik eindelijk mijn lievelingsgerecht, zoals ik had gevraagd?” De vraag was bedoeld als grap, maar de flauwe glimlach rond zijn lippen kon de ernstige toon niet verhullen.

De bewaker was zo vriendelijk om toch te lachen. Hij stak zijn hand uit en hielp Enriel opstaan van de ijskoude vloer. “Vandaag is de dag van uw vonnis. Ik heb uw kinderen gevraagd—”

Een tweede bewaker stormde binnen. De Gemene.

“Stap bij hem vandaan,” zei een stem die ogenschijnlijk zonder moeite de stenen deed schudden.

“Ik weet hoe jij werkt, Enriel.” Hij spuugde zijn naam haast uit. “Mensen inpalmen, vrienden maken, en ze dan misbruiken en verraden. Of moet ik zeggen: van een klif afgooien?”

Eindelijk klaarde een deel van zijn herinnering op. Een klif. Daar stond hij, samen met haar. Maar het kolkende water beneden waste alle woorden uit de wind—hij had nog steeds slechts haar laatste zin.

Misschien was het waar. Misschien was hij zo erg als ze zeiden. Hij had ook gestolen, ingebroken en bedreigd. Minstens de helft van zijn vrienden had hem inderdaad iets te bieden. Maar hij had geen keus. Ze wisten niet hoe—

Een zwarte zak om zijn hoofd verstikte zijn wereld en gaf hem een onbekend gevoel: paniek. Hou je adem onder controle. Diep inademen. Rug recht, blijf sterk.

Hoe kon hij nou sterk zijn? Hoe kon hij nou rechtop lopen na wat er was gebeurd? Wat voor leven had hij nog als hij werd vrijgepleit? Een leven zonder zijn vrouw, een leven zonder de liefde van het volk. Dat was geen leven.

De tocht duurde langer dan hij kon waarderen, terwijl elke poging tot conversatie van de aardige bewaker werd afgekapt. Hij probeerde Enriel nog bemoedigend toe te spreken, maar ook dat was streng verboden. Oh ja, hij was blijkbaar de grootste crimineel van Twirran. Dat zou hij bijna vergeten.

Toen de zak eindelijk van zijn hoofd werd getrokken, zat hij vastgebonden op een stoel middenin de grote zaal van Pa. Hij had gehoord over de indrukwekkende ruimte, met de raamwerken van duizend kleuren, de pilaren van onbreekbaar steen, en de honderd sierlijke zittingen voor alle raadsleden.

Zijn blik viel op de hoofdrechter voor hem. Een kaal hoofd, groteske neus, moddervet, de eetresten nog aan zijn mondhoeken, en bovenal ogen die nog het leven uit de zon konden trekken.

Dat gevoel was geen paniek, dat was afschuw.

Zijn hart begon nog sneller te kloppen. Elke ademhaling voelde als een wedstrijd, maar tegelijkertijd gaf elk beetje lucht hem een ongekende innerlijke kracht. Zijn benen trilden alsof ze niet konden wachten om weg te rennen. Zijn armen tintelden alsof ze niet konden wachten die man voor zijn gezicht te slaan.

Hij schudde zijn hoofd, alsof dat het gevoel zou weghalen. Het kleinste beetje verzet of geweld, en die rechter hoefde het vonnis niet meer te vellen—dan had hij het zelf al gedaan.

“Naam?”

Zonder het te merken had de hele zaal zich opgevuld, vijftig man en vijftig vrouw sterk. Elk van hen droeg een spierwitte toga, bijeengehouden door een gouden speld op de hals, meestal met het symbool van hun oh zo geliefde goden. Hij keek in het rond, zoekend naar zijn kinderen. Was te verwachten. Daar zal iemand wel weer een stokje voor hebben gestoken.

“Enriel.”

“Woonplaats?”

“Twirran.”

“Leeftijd?”

“Tweeëndertig.”

“Datum is drie jaar sinds het arriveren van de Atolia. Locatie is Pa. De zitting is geopend.” Hij sloeg zijn hand op tafel en de hele raad leunde naar voren, nek vooruitgestrekt en kleding gladgestreken, alsof ze verwachtten dat hij meteen zijn klaagzang zou inzetten.

Niet toegeven. Je moet wachten, geduld hebben, je gedragen alsof je niet wanhopig bent.

Maar zijn persoonlijkheid was het enige wat hij had en zijn lichaam stond haast te springen om de kille zaal te vullen met geluid, dus hij begon met luide stem en bonzend hart.

“Ik heb zeven dagen in een afschuwelijke cel gezeten. Ik weet nog steeds niet waarom.”

“Spijtig.” De hoofdrechter keek hem niet eens aan. De Elitaire. “We hoopten juist dat u ons kon vertellen wat er was gebeurd.”

“Ik weet het niet.” Zijn stem brak nog voor het einde van de zin. Met moeite bleven de tranen achter zijn ogen, hoewel hij wist dat hij ze niet veel langer kon onderdrukken. “Ik herinner een klif. Daar stond ik, met Piqa, we hadden een discussie.”

“Een discussie?” Voor het eerst keek de Elitaire hem aan en hief zijn wenkbrauw op.

“Geen ruzie—discussie,” voegde hij haastig toe.

“En zou u ons willen inlichten omtrent de inhoud van deze … discussie.”

“Ik weet het niet!” Hij doorzocht opnieuw zijn gedachten. Nooit als jij er bent. Nooit als jij er bent. Een gedachte lichtte op, ergens diep in zijn geheugen. Hij wist niet of het de waarheid was—het menselijk geheugen was feilbaar zoals de menselijke ziel—maar het klonk plausibel.

“Ze vond dat ik er niet genoeg was. Niet genoeg thuis, niet genoeg voor de kinderen. U weet hoe het is. Ik moet het brood op tafel krijgen, maar tegelijkertijd—”

“Dat hebben wij inderdaad gehoord, hoe u brood op tafel probeert te krijgen. Zeg me, met welk wapen breekt u het liefste in? Een steen of toch een houten knuppel?”

Enriels mond viel open. “Ik heb mijn tijd gedaan, dat weet u ongetwijfeld. Tien jaar voor inbraak. Ik heb mijn lesje geleerd.” De complete onzin van dit alles bracht hem iets meer bij zinnen. Dit was een schertsvertoning, een toneelstukje, opgevoerd om hem voorgoed weg te krijgen.

De Elitaire reikte onder zijn tafel en haalde een vreemde steensoort tevoorschijn die feller scheen dan de flauwe zonnestralen door de gekleurde ramen. Met een harde klap duwde hij de vorm bijna door zijn tafel heen.

“Toen we u vonden zat deze steen in uw hand.”

“Ik heb die steen nog nooit gezien, en dat is de waarheid.”

“Toen we Piqa vonden—uw liefhebbende en geliefde vrouw, laten we dat niet vergeten—had ze een wond op haar gezicht, niet geheel ongelijk aan de vorm van deze steen.”

“U heeft geen bewijs.” Zijn stem begon weer te trillen, alsof alleen al haar naam zijn hele lichaam kon laten instorten. “Ik zeg dat niet als uitdaging, ik zeg dat niet als schuldig man, ik zeg dat omdat ik de waarheid spreek. Ik heb die steen nooit bewust aangeraakt. Ik zou haar nooit iets aandoen!”

Met een zucht keerde de Elitaire zijn blik af en werd de steen doorgegeven onder de raadsleden. “Dit is genoeg bewijs.”

“Waarom zou ik mijn vrouw doodslaan en vervolgens zelf met het moordwapen op de grond gaan liggen?” Zijn stem was plotseling in staat tot een voor hem onbekend volume. “Het is toch overduidelijk? Iemand heeft mijn vrouw vermoord en mij de schuld in de schoenen geschoven. Mijn vrouw. Vermoord! En ik krijg niet eens de mogelijkheid om haar te begraven? Ik moet de gevangenis in?”

“Als u rustig zou willen blijven, Enriel. Dit helpt uw zaak niet.”

“U heeft geen bewijs.” Ineens stond hij op. Het was geen bewuste actie, maar hij zag een schok door de zaal gaan. Dat is interessant.

Hij was met handen en voeten vastgebonden aan de zwaarste stoel die ze konden vinden, die weer met loodzware ketens aan de pilaren zat gekluisterd.

En hij schuifelde langzaam richting de uitgang.

“Laat me gaan en roep me terug als jullie je zaken op orde hebben.”

De Elitaire probeerde op te staan, maar kwam niet overeind. Nog een paar meter. Achter zich hoorde hij de gehaaste voetstappen van troepen bewakers.

De tintelingen in zijn lichaam waren niet verdwenen. Integendeel, ze waren verergerd tot een gevoel van eindeloze aardbevingen onder zijn voeten.

Een onmenselijke schreeuw later waren beide armen los van de stoel, terwijl zijn voeten met elke schop de stoelpoten doorzaagden. Misschien maar beter dat mijn kinderen er niet zijn. Dit hadden ze niet willen zien.

Een hand op zijn schouder.

“Enriel—”

Hij schopte zijn ketens de lucht in, draaide ze in de lucht tot een dodelijke lasso, zette zijn lichaam schrap en sloeg zonder te kijken het hoofd in van zijn belager.

Toen hij zich omdraaide lag de Aardige dood op de vloer.

Kortsluiting. Zijn zicht werd donkerder, alle geluiden dof. Het tintelende gevoel verminderde en hij zakte door zijn benen. Is dat dan echt wie ik ben?

In zijn ooghoek verscheen een andere bewaker en hij reageerde instinctief door zijn been uit te steken en hem te vloeren. Met zijn andere been kantelde hij de stoel om het volle gewicht op diens borstkas uit te storten.

Metaalgeluiden. Ze hebben de speren erbij gepakt. En de pijl en boog. Tientallen bewakers stroomden de zaal in onder knarsend kabaal.

“Je dacht toch niet dat je kon vluchten?” De Elitaire zat alweer smakkend op zijn stoel. “Een simpele ondervraging, en je ware aard komt naar boven. Grijp hem, ik wil zijn gezicht nooit meer zien.”

Enriel zag nog lichte vertwijfeling in de bewakers om hem heen, maar de groepen daarachter kenden geen angst.

De grond trilde en gooide hem op de vloer, waardoor de eerste pijl hem rakelings miste. Een echte aardbeving deze keer. Twee aardbevingen in één week, na tweeëndertig jaar zonder. Voelt alsof

Een tweede pijl trof hem in zijn schouder. Enriel schreeuwde, totdat hij besefte dat het helemaal geen pijn deed. Hij keek omlaag en zag dat de pijl slechts een schaafwond had veroorzaakt. Maar waar is de pijl zelf?

De tinteling uit zijn benen schoot volledig naar zijn linkerarm. Zonder te kijken greep hij een zwevende pijl uit de lucht naast zijn linkeroor, knakte hem in tweeën, en stuurde de tweeling pijlen naar de dichtstbijzijnde bewakers.

Nog twee mensen naar de grond, allemaal van zijn hand. Hij keek omlaag en zag twee felrode trillende handen, alsof zijn bloed was veranderd in stromen lava, zijn spieren twee keer zo dik.

Hij had honger. Honger zoals hij nog nooit had gevoeld, en dorst alsof zijn lippen jaren geleden voor het laatst water hadden geproefd.

De volgende rij bewakers rende op hem af. Hij probeerde hetzelfde trucje nogmaals, maar deze keer bestuurde hij geen pijlen. Een stoel naast hem schoot los, knalde tegen zijn eigen buik, en zond hem naar het balkon.

Ditmaal schreeuwde hij wel van de pijn. Zijn gewaad kreeg een groeiende rode vlek en hij verloor de controle over zijn benen.

Wat ben ik aan het doen? Sinds wanneer is mijn huid van steen en mijn hand voorzien van toverkracht?

De pijn was overweldigend. Hij kon geen enkele gedachte afmaken, geen gecontroleerde beweging inzetten, en zeker de gebeurtenissen van zoeven niet herhalen.

Maar hij was op het balkon. En daar was niemand anders.

Van het tintelen was weinig meer over, slechts een flauwe steek rond zijn longen. En honger. Hij had zo’n honger.

Hij duwde zichzelf omhoog tegen een pilaar en keek een laatste keer rond. De bewakers waren onderweg naar boven, maar ze waren veel te laat.

Ik heb het geprobeerd, Piqa, waarlijk. Voor jou, voor de kinderen. Maar het gaat nooit eens goed. Nooit als ik er ben.

Met de laatste kracht in zijn lichaam sprong hij van het balkon.

B.1 Henaku

Onze wijze vrouw praat al maanden over een voorspelling. Het is eigenlijk gewoon een profetie, zo’n ding van “de held zal iedereen redden als de klok driemaal slaat en de nachtegaal het volkslied zingt”, maar zo mogen we het niet noemen van haar.

Nee, het is een voorspelling. En ze voorspelt dat de wereld binnenkort zal eindigen.

“Ze moet weg.”

Zijn vader stond als enige rondom het kampvuur, zijn gespierde lichaam intimiderend en zijn ontblote borstkas haast lichtgevend in de zonsondergang. Hij droeg een ketting van verschillende tanden, hoorns, stenen, bladeren en bessen, elk met een andere geneeskrachtige werking. Zijn andere kledij bestond slechts uit een lendendoek om de heupen.

Alle andere volwassen leden van de stam zaten op de grond, hun hoofd gebogen en ogen gevestigd op hun avondmaal boven de vlammen.

“Ze zaait onrust, ze maakt de kinderen bang, ze brengt onze hele stam in gevaar.”

“Ze is de stamoudste. De Henaku heeft haar zelf aangewezen als de opperwijze! Zij moet ons leiden.”

Vaders gezicht verduisterde. “Bedoel je soms—”

“Nee, nee, nee. Begrijp me niet verkeerd. Ik bedoel … spiritueel leiden.”

De stotterende man was zijn grootvader en zelfbenoemd filosoof. Als de wijze vrouw ook maar een scheet liet, zag hij er een teken van god in. Als de visvangst tegenviel, zag hij het als een reden om meer te investeren in de jacht. Vader zag het daarentegen als een reden om boos te worden op de vissen, de netten, het water, en als we toch bezig zijn “het hele verdomme vervloekte oerwoud”.

Vaders woorden, niet de zijne. Maar hij moest eens ophouden met zijn oerwoud beledigen.

Ippo stond in de schaduw, samen met zijn buurmeisje en hun gezamenlijk geadopteerde aapje, te wachten tot hij eindelijk weg mocht.

“Ha!” Zijn vader keerde zijn rug naar het vuur. “Spiritueel leiden. Dat kan ze ook van een afstand, hè, zijn we niet allemaal verbonden met elkaar?” Het avondmaal was inmiddels op perfecte temperatuur, maar niemand durfde een hap te nemen voordat het stamhoofd iets had gepakt.

“Ik stuur haar weg. Als je afscheid wilt nemen, ga vanavond langs, maar niet zonder dat ik erbij ben. Vanaf morgenochtend gebruiken we haar hut om voorraden op te slaan.”

“Ti Kino,” fluisterde de hele groep, behalve zijn grootvader. En Ippo.

Hij keek zijn buurmeisje aan. Hun aapje wist al hoe laat het was en had met een blij gezicht plaatsgenomen op zijn schouder.

“Doe dat nou niet,” fluisterde ze. “Je vader is al zo boos. De vorige keer liep ook niet goed af.”

“Tiria, ik ben nu zeven jaar oud, bijna volwassen, ik bepaal zelf wel!” Hij draaide zich om en liep weg. Tiria sprong op een laaghangende tak en volgde Ippo vanuit de boomtoppen.

“Hij is een goede Kino. Echt. Dat zegt mijn moeder ook. Hij moet gewoon … streng zijn.”

“De wijze vrouw heeft altijd gelijk. Als hij haar wegstuurt, dan gaat de wereld ten onder! En dan is mijn vader de slechterik!”

Daar wist Tiria ook geen antwoord op. Ippo was jaloers op zo’n beetje alles van haar—hoe ze moeiteloos in bomen kon klimmen, met de apen mee kon slingeren, zich kon verstoppen tussen de bladeren—maar ze had nooit iets begrepen van leiderschap. Al sinds zijn geboorte werd hij door zijn vader klaargestoomd om, ooit, op een dag, hopelijk heel ver weg, maar hij had geen idee want hij kon nog niet zo goed de tijd lezen, de stam te leiden.

Ze moest hem vertrouwen: de opperwijze wegsturen was dan niet wat je wilde doen.

“Ippo, wat doe je? Dit is niet de weg naar de opperwijze.”

Hij zuchtte, maar bleef met strakke pas lopen. “Natuurlijk gaan we niet meteen naar haar toe. Dat verwacht vader ook. We moeten hem afleiden.”

Deze paar woorden waren altijd genoeg om Tiria van gedachten te laten veranderen. “Plan fikkie? Gaan we hem eindelijk doen?”

“Plan fikkie. Maar we doen het aan de rand van ons gebied, zodat vader denkt dat een andere stam het heeft gedaan.”

Zijn stam telde slechts tientallen leden en had al eeuwen geleden deze hoek van het oerwoud geclaimd. Een brede rivier omsloot het gebied aan alle kanten en zorgde voor een natuurlijke barrière tussen hen en de andere stammen. Zoals vader zei: ze vallen ons niet aan, en in geval van nood hoeven we ze niet te helpen.

“Bovendien wil ik dat jij het doet.”

“Waarom ga je niet mee?” Tiria gaf hem een plaagstoot. “Ben je ineens bang geworden?”

“Als ooit duidelijk wordt dat ik het vuur heb aangestoken, ben ik—zijn zoon, weet je wel—in het openbaar mijn vader aan het tegenwerken. Dat is niet goed voor zijn leiderschap en het respect van de stam. Nou ja, dat zei hij tegen mij dan.”

“Je luistert te veel naar je vader.” Tiria had hun aapje al vooruitgestuurd en slingerde zelf weer de boom in. “Maarja, tegen plan fikkie zeg ik altijd ja!”

En ze was weg.

Ippo zelf vond het tijd voor een laatste jachtronde. Zodra de zon onderging werd de gebruikelijke orkaan aan oerwoudgeluiden—ritselende blaadjes, zingende vogels, rennende beesten, spetterende vissen—een adembenemend mooie stilte.

Hij vond het heerlijk om ’s avonds te jagen. De dieren waren beter te vangen. Het woud rook anders, frisser en koeler. Het voelde goed op zijn huid, alsof hij niet gemaakt was om overdag wakker te zijn, maar ’s nachts. En hij hoefde niet al te lang bij vaders saaie vergaderingen te zijn. Maar natuurlijk mocht hij in het donker niet het gebied uit, dus zonsondergang was zijn laatste kans.

Het water was een hopeloze zaak, zeker nu de afgelopen weken niet één levende vis meer was gevangen, dus sloop hij dieper het woud in. Binnen de kortste keren stuitte hij op een groepje gestreepte tapirs, wat betekende dat ze nog jong waren.

Toch nam hij het zekere voor het onzekere en haalde zijn zelfgemaakte pijl en boog tevoorschijn. Hij was nog te jong om een sprint te winnen of op pure kracht zijn maaltijd te regelen. Maar met zijn kleine beentjes kon hij geruisloos dichterbij sluipen.

Nog iets dichterbij. De tapirs keken op, maar zagen hem niet. Nog heel eventjes. Kom op, ga lekker door met spelen, let niet op mij. Hij spande zijn boog, legde twee pijlen klaar, sloot één oog om te richten, en—

Een lichtflits verlichtte de avondhemel. In de verte steeg rook op en even later likten enkele vlammen de boomtoppen. Tot hun schrik keken de tapirs recht in de ogen van een zevenjarige jager en stuiterden over elkaar heen om weg te sprinten. Hij schoot in paniek nog twee pijlen, maar raakte slechts de boomstronk recht voor hem.

Tiria, je bent te snel. Ik had ook geen tapirs moeten kiezen, die sprinten te hard.

Met een zucht gooide hij de pijl en boog weer om zijn schouders. Hij wist hoe goed ze was—ze was waarschijnlijk allang onderweg voordat het vuur zichtbaar werd.

Nog geen hartslag later plofte Tiria naast hem. “Plan fikkie is in werking. De Kino is afgeleid.”

In absolute stilte renden ze naar hun eigenlijke doelwit. Binnen een minuut arriveerden ze bij de verlaten hut van de wijze vrouw, die zelf languit in een hangmat lag, gespannen tussen twee nabijgelegen kapokbomen.

“Kino-Ka.”

Geen reactie. Hij stapte dichterbij, legde zijn hand op de hangmat, en voelde … niks. De hangmat was opgevuld met oude lappen stof.

Tiria zat in de boom boven hem en floot op haar vingers. Hij keek op en zag toen pas een enorme bos grijze krullen boven de boomkronen uitkomen.

“Niemand kijkt ooit omhoog …” mompelde de opperwijze tegen haarzelf, maar ze keek hen niet aan. Haar ogen leken onveranderlijk gevestigd op een punt aan de horizon.

Ippo zuchtte en begon aan de weg omhoog, terwijl zijn aapje hem de hele weg uitlachte.

“Waarom zit je hier?” vroeg Tiria, die haar hoofd alle kanten opdraaide om te vinden wat de Kino-Ka zag. Ippo trok zich inmiddels hijgend aan de laatste tak omhoog.

“Ik weet dat hij me weg wil hebben. Zolang jullie me niet weggeven, gaat je vader mij niet vinden.”

“Je kunt hier niet eeuwig blijven zitten!”

“Dat hoeft ook niet.”

De vrouw liep voorzichtig naar een nieuwe tak en onthulde een vreemd houten voorwerp—een langgerekte, uitgeholde, dunne boomstronk.

“Kijk maar eens hierdoorheen, mijn mupi’s.” Met een lichte aai over de bol begeleidde ze beide kinderen totdat ze door de opening konden kijken.

En toen zagen zij het ook.

Rijen zwartgeblakerde bomen. Grote open velden, alsof de aarde ter plekke was opengescheurd en alle natuur had opgevreten. Water dat te troebel was om nog zonlicht te weerkaatsen en te veel afval herbergde om nog te stromen.

Ik hoef niet weg—we moeten allemaal hier weg.”

“Hoe … hoe weet u dit allemaal?” vroeg Ippo.

“Kunt u toveren?” voegde Tiria toe.

“Wat is toveren, mijn mupi? Is luisteren naar je hart toveren? Is luisteren naar de natuur en je ogen openhouden toveren?” Ze keek het tweetal even serieus aan, maar begon toen te lachen. “Nee, natuurlijk kan ik niet toveren. Een man genaamd Enriel heeft de voorspellingen opgeschreven, duizenden jaren geleden. Vooralsnog is elke voorspelling uitgekomen.”

De wijze vrouw begon alweer aan de tocht naar beneden en liet Ippo verbijsterd achter. “Zie je wel,” fluisterde hij naar Tiria, “ze heeft altijd gelijk!”

“Het is een wonder dat de andere stammen nog niet naar ons toe zijn gekomen. Hoewel, de reputatie van je vader strekt nog verder dan deze eeuwenoude bomen …”

“Dan moeten wij naar de andere stammen!” Tiria was inmiddels al beneden en hielp de Kino-Ka om ook veilig de grond te vinden. “We hebben genoeg ruimte voor de Lekii. En misschien zelfs de Teri’da.”

“Nee, dat is dom,” zei Ippo met een wuivend handgebaar. Tiria reageerde door haar tong uit te steken. “Je bent zelf dom.”

“Ze moeten maar naar ons komen. Dan zien wij er sterk uit én we zijn een soort helden.”

“En wat moeten wij dan doen?” vroeg de oude vrouw, plots zonder haar gebruikelijke lieve stem. “Samen met alle stammen op een kluitje zitten en wachten op de ondergang van de wereld? Over een paar maanden is ook deze plek onbewoonbaar.”

Daarop viel iedereen stil. Die stilte werd snel onderbroken door een aanstormende groep fakkels, vastgehouden door het vijftal krijgers van Ippo’s stam, en geleid door de Kino die een schreeuw inzette.

“Stap bij haar vandaan!”

Zijn vader kende hem te goed. Het vuur in de verte brandde nog voluit en er leek niemand bezig om dat te stoppen.

“Wat ga je doen?” Ippo’s stem sloeg over en hij pakte Tiria’s hand.

“Als iedereen luistert, gebeurt er niks.”

“En wanneer ga jij eens luisteren?” De vrouw liep onbezorgd naar haar hangmat en nam plaats. “We moeten samenwerken met de andere stammen, geen vijanden maken. We moeten de reden vinden dat we steeds minder vis vangen, niet kwaad worden op de domme beesten.”

Ippo zag het gezicht van zijn vader vertrekken, alsof hij plotseling twintig jaar ouder werd en op het punt stond te sterven. Zijn lip trilde en hij speelde met de speer in zijn hand.

“De laatste keer dat we samenwerkten met de Lekii hebben ze mijn voorvaderen bijna uitgemoord en zichzelf koning van het woud gekroond.”

“Dat was eeuwen geleden.”

“Ze beheren nog steeds de helft van dit woud! Als ze ons toegang zouden geven tot hun wateren, hadden we méér dan genoeg vis!”

“Je kunt niet alles zomaar pakken. Zij hebben hun stukje land, wij hebben ons stukje, en zo moet het zijn.”

“Ik heb een hele stam om te voeden, en woorden zijn geen water. Je vertrekt nu. Help haar.” Hij stampte zijn speer op de grond en wuifde de andere krijgers naar voren om de Kino-Ka op te tillen.

“Maar pap, ze heeft gelijk! We hebben het zelf gezien!” Ippo stapte tussen de krijgers en de zorgeloos zwaaiende hangmat. “Het woud is aan het … aan het … sterven! We moeten—”

Wat heeft ze jullie verteld?” Tiria liet Ippo’s hand los en stapte naar achter, terwijl ze probeerde hun aapje rustig te houden onder het kabaal van vaders stem.

“Er was een man, Enriel, en die voorspelt dat de wereld eindigt, en hij heeft altijd gelijk, en ik weet niet wanneer maar zij zegt een paar maanden, en—”

“Spaar je adem, mupi. Mijn lot was al lang geleden beslecht. De Henaku wisten dit.” Nog even rustig als altijd liet ze zichzelf terugvallen in de hangmat, ogen gesloten.

“Waag het niet te spreken over de Henaku!” Vader stoomde nu zelf naar voren, speerpunt vooruit. “Jij hebt ze te schande gemaakt. Je hebt deze hele familie te schande gemaakt!”

“Ik heb gezegd wat ik wilde zeggen.” De woorden werden fluisterend uitgesproken, alsof ze halverwege in slaap viel.

De krijgers waren inmiddels bij de hangmat, maar durfden niks te doen, terwijl in hun ooghoek het stamhoofd met zijn speer in hun richting wees.

“Onder jouw leiding is deze stam bijna uitgestorven. Onder jouw leiding zijn we alles kwijtgeraakt wat we liefhadden. En onder jouw leiding ben ik mijn dochter verloren.

Ik ben ook uitgesproken.”

“Vader! Kino! Nee!” Ippo sprong voor zijn vader, maar had geen schijn van kans.

Hij smeet zijn zoon met een nonchalante handzwaai opzij. Na een korte vlucht raakte zijn rug als eerste de stevige palen van de hut, zijn lichaam schokkend, knarsend en ratelend alsof zijn botten waren vergruisd tot kiezelsteentjes, totdat zijn hele lichaam als een plas water over de grond werd uitgesmeerd.

Hij voelde niks meer. Zijn handen wilden niet meer grijpen, zijn tenen niet meer wiebelen.

Een laatste inspanning draaide zijn hoofd om te zien hoe zijn vader de speer in de hangmat stak.

C.1 Aardrijkskunde

Het blijkt dat er mensen zijn die de hoofdstad kennen van elk land. Het blijkt dat er mensen zijn die de verschillende lagen in de atmosfeer kennen, een dode taal kunnen spreken, of een tien krijgen voor “inzet” bij lichamelijke opvoeding.

Het blijkt dat ik geen vrienden kan zijn met die mensen.

“Je weet hoe hij is,” zei haar beste vriendin over de telefoon, “hij zegt altijd zo van: geen boek = geen les!”

Miralla probeerde vanochtend, net als elke ochtend, haar vaardigheden in het multitasken te trainen. Met haar mobiel op tafel, sneed ze haar brood, strikte haar veters, keek de woordjes nog een keer door, hield een gesprek met haar beste vriendin over achteraf gezien niet heel urgente dingen, en keek op de klok in de hoop dat ze per ongeluk een uur te vroeg was opgestaan.

Dat was nog nooit gebeurd.

“Mip, ik moet nu echt de fiets op.”

“Ik heet Jip,” zei een lachende stem, die overging in een geacteerde deftigheid. “Ik wil dat je me zo aanspreekt.”

“En ik wil een miljoen euro en oneindige chocolade. We kunnen niet alles hebben in het leven.”

Ze klapte haar mobiel dicht en rende naar de woonkamer om haar moeder een afscheidszoen te geven. Haar moeder was er niet.

Met de grootste moeite kon ze niet bedenken waar haar moeder anders zou zijn. Ze was altijd thuis! Maar ze kon niet weggaan voordat ze gedag had gezegd. Daar was moeder héél duidelijk over, en dat begreep ze ook wel, zo na het ongeluk.

Een rilling ging door haar hele ruggengraat. Er zou toch niks zijn gebeurd? Ze is toch wel opgestaan? Ja, dat moet wel, mijn broertje is naar school gebracht. Die komt echt z’n bed niet uit zonder een stevige invloed van buitenaf.

De hele woonkamer was opgeruimd en schoongemaakt. Moeder was veel te netjes om iets van hints achter te laten, wat Miralla op dit moment vooral vervelend vond.

Ze tikte met haar voet op de grond, onzeker over wat ze moet doen, terwijl de klok steeds verder tikte. Net toen ze had besloten om tóch te wachten tot haar moeder verscheen, vond ze een briefje op de koelkast geplakt.

Het handschrift was haastig en onverzorgd, bijna onleesbaar, maar kon alleen van haar moeder zijn.

Ik ben vandaag even weg. Als alles goed gaat, horen jullie misschien wel wat ik voor spannends heb gedaan!

Erachter stond nog iets wat op een knipogende smiley moest lijken. Ze fronste en stond enkele seconden bevroren op haar plek. Haar moeder deed de laatste tijd vaak dingen waar ze achteraf niks over kwijtwilde, maar stiekem was het ook weer niet. Ze lijkt zich wel … te schamen?

Ze haalde haar schouders op en racete naar school.

“Ah, daar heb je de Ferrari. Alweer een foto finish,” zei een stem uit de klas, terwijl ze net voor de bel het lokaal binnenkwam. Ze wist niet wat ze dacht van die bijnaam. Het was een compliment—ze kon inderdaad onmenselijk hard fietsen—maar het klonk ook een beetje alsof ze een slechte rapper was.

De gezichten van autobestuurders als ze hen inhaalde waren nog het leukst. Eerst de frons naar haar, dan de check of ze niet stiekem een motortje had ingebouwd.

“Miralla, het is één ding om laat binnen te komen. Het is nog erger om je tas niet eens uit te pakken en direct te gaan dagdromen.” Hun docent aardrijkskunde was niet slecht of onaardig, maar je kwam ook niet naar zijn lessen om iets te leren. Hij had acteur willen worden, of op z’n minst boeken willen schrijven, en dat was te merken. Hij kon je niet vertellen van welk land Pa de hoofdstad was, maar hij had duizend-en-één smeuïge verhalen over de stad zelf.

“Het spijt me, meneer Eleban, ik had een rare ochtend.”

Had ik niet moeten zeggen. Nodig hem nou niet uit!

“Een rare ochtend, zeg je? Kom, verblijdt de klas met je avontuur!”

“Ik was mijn moeder kwijt, toen toch niet, en toen vond ik een briefje op de deur. Nou goed?”

“We moeten nog wat werken aan je presentatie.”

Ze luisterde al niet meer. Ze had besloten dat het tóch niet klopte: haar moeder zou nooit weggaan zonder afscheid te nemen en zonder precies te laten weten waar ze heen was. Sinds het verlies van haar vader en broer ging er geen dag voorbij zonder “goedemorgen” en “welterusten” en duizend keer “laat weten waar je bent en wat je doet”. Het zou haar niks verbazen als ergens een cameraatje op haar kleding zat die te allen tijde haar locatie doorstuurde.

Als ze daar ook maar enigszins geld voor hadden gehad.

“Miralla! Ik stelde een vraag.”

Jammer, ik kan mijn excuus van de rare ochtend niet meer gebruiken.

“Welke ongebruikelijke vondst deden archeologen rond de industriële revolutie in het Azoni regenwoud?”

“Ze ontdekten dat ze geen leven hadden.”

“Mirmir—mag ik je zo noemen?—dit was echt een grote ontdekking. Dit moet je weten. Dit heeft de wereld voorgoed veranderd!”

Ze haalde haar schouders op. “Ik heb geen idee meneer. Het Azoni regenwoud bestaat allang niet meer, waarom moeten we dit weten?”

“Juist daarom is het belangrijk. Het regenwoud was van grote waarde voor onze natuur en ons ecosysteem. Nu het is verdwenen, zijn de voorspellingen over onze toekomst steeds minder rooskleurig.”

“Meneer, school is al deprimerend genoeg, ik hoef niet te horen hoe de wereld gedoemd is.”

“En daarom moet je het antwoord op deze vraag weten. Wat vonden ze? Zeg het allemaal in koor …”

“De stenen van Ork!” riep een handjevol enthousiaste leerlingen, voornamelijk gezeten op de eerste rij.

“Deze stenen zijn onder elk denkbaar apparaat gegooid, toentertijd en tot op de dag van vandaag. Ze geven straling af. Een ondenkbare hoeveelheid energie, en we hebben geen idee hoe of wat. Als we die energie zouden kunnen gebruiken … dan hoefden we geen regenwouden meer te kappen om onszelf van energie te voorzien.”

De stenen van Ork. Klinkt als een stripverhaal.

“Je bent niet onder de indruk zie ik, Mirmir.” Eleban nam plaats op de rand van zijn bureau. “Ik weet dat ik niet te deprimerend mag zijn, maar dit is jullie toekomst. Ik moet jullie voorbereiden op de toekomst. En, zoals het er nu voor staat … raakt onze energie over zo’n vijftig jaar op. Als we de dingen wat optimistisch uitrekenen.”

De lichte trilling in de stem van hun docent was een rare gebeurtenis, een zeldzaam vertoon van kwetsbaarheid voor een docent, maar het deed Miralla slechts­ denken aan haar eigen onzekerheid van vandaag.

“Meneer, ik heb een vraag.”

“Nou ja zeg! Hijs de vlag! Gooi de zeilen uit! Koop een varken! Miralla stelt een vraag!”

Ze was bijna van plan om de vraag weer in te slikken, maar nu zestig ogen haar aankeken moest ze haar plan doorzetten. “Stel, compleet hypothetisch, fictief voorbeeld, iemand is altijd thuis en laat het altijd weten als ze weg is. Dan ineens is ze weg en laat het niet weten. Wat denk je dat er aan de hand is?”

Zestig ogen knepen zich samen. Ze wist niet of ze haar nu definitief voor gek hadden verklaard, of dat ze allemaal in hun hoofd de situatie afspeelden en een oplossing formuleerden.

“Ik denk dat ze een affaire heeft,” zei Jip voordat ze het door had. De zestig ogen keerden naar haar. “Wat? Als iemand iets stiekems doet, is het altijd een affaire. Of iets met liefde. Jullie kijken toch ook films?”

“Misschien is ze het gewoon vergeten.”

“Nee! Eh—deze fictieve persoon—vergeet zoiets nooit.”

“Hmm.” Meneer Eleban streek over zijn sikje, als hij die had gehad. In plaats daarvan probeerde hij nu een stuk kin vast te pakken. “Zie je, locatie is een relatief begrip.”

Oh god.

“Jij bent vanmorgen van huis weggegaan, is het niet? In dat geval, ben jij degene die van plaats is veranderd, dus is het dan niet jouw verantwoordelijkheid om het te laten weten?”

“Vergeet dat ik iets heb gevraagd.”

“Ik denk toch dat het een affaire is,” zei Jip, die ondertussen in haar schrift hartjes tekende. Ze keek er heel serieus bij, maar Miralla kon zich niet voorstellen dat Jip dit meende.

Toch klonk het liefdesaspect aannemelijk. De stiekeme berichtjes en afspraakjes, de schaamte … haar moeder was aan het daten! Dat moest het zijn.

Ze stond bijna op om het lokaal uit te lopen en meteen naar huis te gaan, toen ze herinnerde dat ze nog de hele dag les had.

Zou wel leuk zijn. Weer een nieuw familielid! Denk ik. Ik weet niet, zo lang is vader nog niet weg. Het is maar een jaar geleden! Ze is nog gewoon getrouwd, toch? Puh, hoe durft ze zeg, nu al een nieuwe vriend zoeken. Als ze thuiskomt laat ik haar even weten dat ze nog maar eventjes single mag blijven.

“Miralla, waarom ga je niet gewoon even naar de kantine? Je kunt overduidelijk je gedachten niet van deze fictieve persoon afhouden. Neem een kop chocomel, zoek nog wat op over de stenen van Ork, en ik ben een blije Aardrijkskundedocent.”

Ze had ineens hoofdpijn en voelde zich in een dromerige toestand, alsof ze hoge koorts had en net wakker was geworden. Ze knikte, pakte onhandig haar tas, en slenterde het lokaal uit.

De rest van de dag vloog voorbij alsof ze nog steeds in diezelfde droom vastzat. Ze wist niet waarom het zo bleef knagen. Het was maar iets kleins. Waarschijnlijk was er niks aan de hand. Maar ze voelde zich gestrester dan ooit, alsof ze net had gehoord dat ze morgen tien onverwachte overhoringen had. Hoewel ze dan natuurlijk niet meer onverwacht waren, wat het stressniveau weer verminderde.

Haar hele lichaam tintelde. Haar hart begon sneller te kloppen. Elke ademhaling voelde als een wedstrijd, maar tegelijkertijd gaf elk beetje lucht haar een ongekende energie.

Ik maak die chocomel ook altijd te warm.

Ze keek naar haar handen en zag twee felrode trillende vuisten. Misschien heeft mijn moeder toch gelijk over die cursus meditatie.

Haar voet tikte zo driftig op de stenen dat de kantinevrouw op haar afkwam, waarschijnlijk om te vragen of ze de tapdance niet naar buiten mee kon nemen.

Mijn moeder kan niks overkomen. Het mag niet! Ik wil niet nog iemand kwijt!

Ineens zag ze geen kantine meer, maar een verzameling beelden. Een vette vingerafdruk op het handvat van de koelkast. Haar moeder is te netjes daarvoor, haar broertje misschien? De kop thee was nog warm. Het handvat stond naar links … maar haar moeder is rechtshandig. De sleutel lag op tafel, alsof iemand had geprobeerd de deur op slot te doen. Iemand die niet wist dat haar achterdeur al jarenlang geen functionerend slot meer heeft.

De beelden flitsten voorbij, de informatie te overweldigend en te massaal om allemaal op te nemen.

Ze sloot haar ogen, sloeg haar handen tegen het gezicht en schreeuwde.

De beelden verdwenen, de kantine kwam terug. Opnieuw keken zestig ogen haar aan, maar deze keer wilde ze er niks van weten.

Wat was dat? Begin ik gek te worden? Is dit allemaal gewoon een droom? Ja natuurlijk. “Stenen van Ork”, dat bedenk je toch alleen als je er niet helemaal bij bent.

Ze greep haar tas en rende de kantine uit. Haar recordtijd richting de school was knap, de snelheid waarmee ze thuiskwam was een Olympische medaille waardig.

Een trap tegen de deur later stond ze in een lege keuken. De kamerdeur opende. “Wie is daar?” schreeuwde Miralla alsof ze werd vermoord.

Een bak chips viel kapot op de vloer. Haar broertje keek haar aan met ogen als vuurstenen. “Wat heb jij vandaag?”

“Heb je iemand gezien? Was hier iemand? Heb je iets raars gezien?”

“Ik ben nu naar iets raars aan het kijken.”

“Dit is niet grappig!” Ze liep naar de koelkast en bestudeerde het handvat. De vingerafdruk was er, precies waar ze hem in de beelden had gezien. Een andere vingerafdruk was eroverheen gegaan.

“Laat je vinger eens zien.”

“Is dit weer zo’n stomme grap? Ga je een scheet laten als ik aan je—”

“Doe het nou maar!”

Haar broertje volgde haar commando’s en ze kon meteen de tweede vingerafdruk herkennen.

“Er was hier iemand.”

“Hoe weet je dat?”

“Ik zag … beelden … en ik was ineens … slim? Het is raar.”

“Vertel mij wat.”

Haar broertje probeerde weg te lopen, maar ze greep hem bij de schouders. “Er was hier iemand, en die is heel stiekem met moeder vertrokken. Misschien is ze wel ontvoerd!”

“Ze heeft toch een briefje achtergelaten?”

En weer begonnen de beelden te flitsen. Het briefje. Haar moeder was nog steeds te netjes. Het handschrift leek sprekend, maar ze zou nooit gehaast een briefje kladden. Ze sloeg haarzelf in het gezicht om terug te komen in de keuken.

“… ik ga denk ik eventjes praten met niet-gestoorde mensen,” zei haar broertje, en hij keerde naar de trap.

“We moeten de politie inschakelen!”

“Dat kost geld. En je weet hoe ze denkt over de—hoe noemde ze het nou altijd—incapabele corrupte kutpolitie.” Haar broertje liep hoofdschuddend verder omhoog.

Natuurlijk was ze dat niet vergeten. Zij waren schuldig. De politie had niks gedaan toen haar moeder aangifte had gedaan. Ze hadden haar nog net niet in haar gezicht uitgelachen en het formulier verscheurd.

Dus hadden haar vader en broer de taak op zich genomen om de zaak op te lossen, met alle gevolgen van dien.

Ik moet mezelf niet gek maken. Als mijn moeder aan het daten is, dan heeft ze gewoon hier afgesproken met haar date, en zit nu ergens op een hotelkamer lekker—ugh, ik wil daar helemaal niet aan denken.

Maar betere gedachten had ze ook niet, zeker niet na de deprimerende toespraak van meneer Eleban. En nadat ze haar tong dubbel had verbrand aan de chocomel.

Ze probeerde ter afleiding schoolwerk te maken, maar kreeg niks gedaan. Ze had honger, oh zo’n honger. Maar ze had goed geleerd om zuinig te zijn met eten, dus ze was rond acht uur ’s avonds vooral moe, oh zo moe.

Met barstende koppijn en een hoofd hinkend tussen duizend gedachten, ging ze slapen.

Ze werd wakker in een donkere kamer. Ze verschoof een paar knuffels om haar klok te kunnen zien: verrek, ze was per ongeluk een uur te vroeg wakker geworden.

Maar waarom?

Gestommel klonk uit moeders slaapkamer.

A.2 De Onzekere

Het is niet dat jij slecht bent schat, allesbehalve, jij blijft de liefde van mijn leven. Met jou is het simpelweg … anders. Kleuren worden net iets feller. Tijd lijkt te vertragen. Als het regent, lijken de druppels zich om jou heen te vormen, alsof ze met je dansen en je op het laatste moment ontwijken.

Hij keek naar het brood en voelde watervallen vormen over zijn tong. Als hij slikte, proefde hij het brood. Als hij zijn neus snoof, rook hij de warme geur als een omhelzing die zijn wonden genas.

Maar hij was buiten en het brood was binnen.

Een stevige man liep een laatste rondje door zijn keuken en gooide achteloos stukken brood naar de bedelende dieren. Enriel bekeek het tafereel door een kier in de luiken, zijn rug tegen een koude muur, zijn maag pulserend van de pijn.

Het regende nog steeds. Het regende honger, woede, pijn, en verbazing over de krachten die hij zoeven had opgeroepen.

Tijdens zijn struikeltocht naar de donkerste steegjes van Pa, had hij een stuk stof van een waslijn getrokken en gebruikt om zijn buikwond te verbinden. Het bloeden was gestopt, maar hij voelde zijn hoofd met de seconde lichter worden, alsof al het bloed uit zijn lichaam zich had opgehoopt rondom de wond.

Mijn huid. Waarom was het bestand tegen die pijl, maar niet tegen de stoel daarna?

In de verte hoorde hij vogelgeluiden. Niet een eenzame vogel die roept om gezelschap, niet een betoverende nachtegaal, maar een overweldigende groep vogels die krijsten alsof de wereld verging. De regen, gecombineerd met bange vogels, kon maar één ding betekenen.

Een storm was op komst. “Perfect weer voor een zoektocht naar schatten,” zou hij vroeger gezegd hebben, glimlach en knipoog inclusief. Nu wist hij het niet meer. De opnieuw aangewakkerde geur van het brood verhinderde elke logische gedachtegang. Doe dat luik toch dicht. Het lijkt wel alsof je wil dat het gestolen wordt.

Hij moest een plan maken. Dat kon hij: plannen maken. Als je een plan hebt, word je niet gepakt. Als je een plan hebt, krijg je te eten. Vroeger had hij zijn kameraden om de plannen mee te maken, nu had hij al jaren zijn kinderen.

Mijn kinderen. Mijn intelligente, lieve, kwetsbare kinderen. Die zullen ze als eerste hebben gepakt. Ze zullen ze gebruiken, om mij te chanteren, om mij alsnog achter tralies te krijgen. Ik mag dat niet laten gebeuren.

Met die gedachte stroomde de energie terug naar zijn ledematen. Hij duwde zich omhoog tegen de muur, zijn handen bijna bevroren tegen de kille stenen, tot hij weer rechtop stond. Alsof er niks aan de hand was. Alsof hij nog met rechte rug over straat kon wandelen.

Zijn steegje mondde uit op een van Pa’s hoofdstraten: een lange brede weg met een dun kanaal door het centrum, omringd door felle vuren die elke nacht opnieuw werden aangestoken. Alle huizen bestonden uit beige zandsteen, hoewel glanzend witte muren aangaven waar men koopwaar probeerde aan te smeren.

Het geluid van voetstappen draaide de hoek om. Hoe langer hij luisterde, hoe meer het orkest van soldaten leek te groeien. De bakker sloot eindelijk de luiken, totdat er iets onverstaanbaars werd geschreeuwd, en hij niet wist hoe ze snel ze weer open moesten.

De geluiden kwamen dichterbij. In een reflex greep hij een uithangende steen en plaatste zijn voeten op een laag hek, tot hij realiseerde dat klimmen er vandaag niet in zat.

Schuilen in schaduwen ook niet, toen hij eenmaal hoorde wat er werd gezegd.

“Kom naar buiten. Ik herhaal: iedereen kom naar buiten. Er is een gevaarlijke moordenaar op de vlucht. Vertel alles wat u heeft gezien. Kom naar buiten. Kom allemaal naar … "

Hoe kan ik het herhalen? Waarom kon ik mij tijdelijk meten met een god? Piqa, waar ben je nu? Waarom kan je me niet vertellen wat ik moet doen?

Toen besefte hij wat hij moest doen. Hij had al te lang in schaduwen geleefd. Zijn lichaam had hem vandaag eindelijk een klap op de kop gegeven en duidelijk gemaakt waarnaar het snakte. Hoe stom was hij wel niet. Hoe stom dat hij dit niet eerder had gezien.

Hij sprong uit het steegje.

“Halt! Wie is—”

De voorste linie soldaten aanschouwde hem met een mengeling van angst en verbazing. In hun ogen zag hij eruit als een zwerver, op sterven na dood. En zo voelde hij zich ook. Maar hij was de zwerver die kon vluchten uit de meest zwaarbewaakte plek van de stad.

De hele straat viel stil, alle ogen gericht op het standbeeld Enriel. Ergens was hij teleurgesteld. Ze hadden maar één lochos op hem afgestuurd—een vaste groep van zestien soldaten—terwijl hij wist dat het stadsleger veel groter was.

De lochagos vooraan de groep, met de grootste speer en het meest gedecoreerde schild, kwam hem vaag bekend voor.

Langzaam veranderden de blikken in een grijns, een glimlach, en uiteindelijk een bulderende lach.

“Wat aardig, je komt vrijwillig naar ons toe!” De lochagos keerde tot zijn soldaten. “Zo’n makkelijke dag maak je niet vaak mee.”

“Oh ja?” Enriel probeerde zijn stem te verheffen, dezelfde situatie na te spelen als in de rechtszaal, maar krachten wensen is niet hetzelfde als ze krijgen.

“Wat ga je doen? Ons doodstaren? Jezelf met een bloempot in het gezicht raken?” De volledige straat kon de lach niet meer inhouden.

Een doffe klap raakte zijn borstkas. Hij keek omlaag, maar zag niks. Het leek van binnenuit te komen, alsof zijn hart twee kanten op werd getrokken. Naar voren, naar achter, naar voren, naar achter, steeds sneller. Met zijn hart op tilt, greep hij een grote steen en rende op de soldaten af.

Niemand reageerde. Hij rende nog harder. Alle kracht naar mijn arm. Hoe het ook werkt, alle energie naar mijn arm.

Twee meter nog. De lochagos keek eindelijk over zijn schouder. Die blik, die houding, de stem, het kwam hem allemaal bekend voor.

Sneller dan zijn ogen konden volgen, draaide de lochagos sierlijk om zijn as, greep zijn speer in de lucht, en gaf Enriel een perfect geplaatste klap tegen zijn slaap.

Sterren vulden zijn zicht, deels door de klap, deels omdat hij plat op de vloer lag en uitgeteld naar de nachthemel staarde. De beloofde storm was inmiddels gekomen en doofde één voor één de nachtvuren, terwijl krijsende vogels op hem neerdaalden, die slechts met stokken werden weggejaagd.

Ik zal het wel hebben verbeeld. Natuurlijk ben ik geen god. Ik ben het nauwelijks waard een mens te zijn. Ze mogen me hebben.

Hij sloot zijn ogen en liet een viertal handen zijn lichaam grijpen.

“Je herinnert mij niet, of wel?” De toon droop van de zelfvoldoening. Enriel reageerde nergens meer op. “Ik zal een hint geven: het begint met vrienden en het eindigt met verraad.”

Hij. Hij heeft me in de val gelokt en opgesloten, iets wat niemand anders lukte. Nee, dat is niet waar. Ik heb het mezelf aangedaan. Welke crimineel vertrouwt nu compleet op zijn kameraden? De onderwereld is geen plek voor oprechte samenwerking. Vertrouwen is een doodzonde. Vertrouwen is—

Hij stopte de herinnering. Gedachten zoals deze zouden nu niks meer helpen. Zijn hersenspinsels gleden vanzelf een andere kant op, toen hij zich volledig herinnerde wie hij voor zich had.

Kapitein Ork. Hij kreeg meerdere medailles en de liefde van het volk, omdat hij zogenaamd “de grootste criminele operatie van het land” had opgerold. We stalen brood en fruit. Soms iets kostbaars, misschien goud of zilver, maar niks meer. We zijn onschuldig.

Het enige waaraan ik schuldig ben, is mijn knuppelslag die kapitein Ork kreupel maakte. Maar daar lijkt hij op mysterieuze wijze overheen te zijn gekomen.

Enriel sprak nog steeds niet, terwijl de Onzekere niet kon ophouden met bespottende opmerkingen. Zijn lichaam leek zich over te geven, en waarom zou hij ook niet? Piqa was er niet meer. Zijn leven was een leugen.

Wist ik maar hoe hij het had gedaan. Geen van mijn vrienden zou ons hebben verraden, dat weet ik zeker. Het moet iemand anders zijn geweest.

Zijn hoofd speurde mogelijkheden af, op zoek naar een manier om de Onzekere tot zijn vriend te maken. Hem over te halen om te doen alsof zijn neus bloedt en zijn leven te sparen. Hij had het zo vaak gedaan. Net iets langer in de gevangenis, en de bewakers hadden hem met een glimlach de voordeur uit laten lopen. Nee, zo ben ik niet. Als ik vanavond sterf, is dat als een eerlijk man. Een rechtvaardig man.

Vier soldaten tilden hem op aan handen en voeten. Hun brute grepen en ruwe handschoenen maakten een harde schreeuw los.

“Niet zeuren. Voor je het weet, ben je weer herenigd met je kinderen.” Hij kon het gezicht niet zien, maar de stem verraadde dat een gemene grijns deze uitspraak begeleidde. De stem werd plots luider: “Geen zorgen, iedereen. U kunt weer rustig slapen. De moordenaar is gepakt en zijn hele familie zal binnenkort ophouden te bestaan.”

Enkele mensen klapten. Eén persoon spuugde op zijn gezicht, alvorens alle goden te vragen hem te vervloeken. De rest deed vooral de deur achter zichzelf dicht.

Terwijl zijn lichaam steeds meer voelde als een lappenpop, opende Enriel tot eigen verbazing zijn mond.

“Jullie hebben mijn kinderen niet,” zei hij zelfverzekerd, zonder precies te weten waarom. Hij moest glimlachen en zijn hart stopte eindelijk haar tweestrijd.

“Petro is te sterk voor jullie en bovendien nooit thuis. De goden weten waar hij ’s nachts uithangt, maar tien soldaten zouden hem niet uit de deuropening krijgen.”

Zijn glimlach werd nog breder. Even leken zijn verwondingen best mee te vallen—slechts een schaafwondje, al was het maar in de verbeelding.

“Zerka is te charmant. Laat haar één zin zeggen, en ze heeft alle soldaten overtuigd om eten voor haar te kopen en haar voeten te wassen.”

“Worden we arrogant, Enriel?” De stem klonk eerder geïrriteerd dan boos, en zeker niet alsof hij meester was van de situatie. Enriel opende zijn ogen en keek de lochagos rechtstreeks aan.

“En Quichi. Och, lieve Quichi. Jij zou haar niks aandoen. Niemand zou haar ooit iets aandoen. Jij bent een goed man, dat zie ik.” En ik schat mensen altijd goed in. Jij bent geen intimiderende kapitein, jij bent de Onzekere.

“Bovendien schijnt ze vriendjes te zijn geworden met een stel tijgers en controle te hebben over een groep vogels.”

“Ontroerende laatste woorden. Als je nog even wacht, kan je dit persoonlijk aan je kinderen vertellen.”

“Oh, ze weten dit. Ik maak er een punt van elke dag te vertellen hoe speciaal ze zijn.” Hij gaf een korte ruk aan zijn vers geplaatste handboeien. De meeste soldaten gaven hem meteen wat ruimte, maar één bleef vasthouden. Niet de handboeien, niet zijn polsen, maar zijn hand zelf, alsof hij hem wilde troosten.

“Ik maak er óók een punt van elke dag opnieuw, in geuren en kleuren, te vertellen dat ze de regering op geen enkele manier moeten vertrouwen. Op het grootste kwaad op aarde moet je spugen!”

Speeksel besmeurde het onzekere gezicht. Zijn ogen begonnen te trillen en hij rukte Enriel aan zijn handboeien naar voren. “Je denkt dat ik het niet doe, hè? Dat denk jij. Jij denkt dat je mij hebt uitgevogeld, maar je bent gefaald. Ik was van plan vergevingsgezind te zijn, maar hierop staat directe executie. Mannen!” Enriels hoofd klapte naar achter door een harde kopstoot. “Breng mijn zwaard!”

Hij voelde de stoot niet eens. Zijn gedachten waren strak gefocust op zijn kinderen. Quichi’s lach. Petro’s eindeloze grappige opmerkingen. Zerka had vast iets slims gezegd, wat dan weer stiekem een belediging was. Ik kan niet dood, niet voor mijn kinderen. Ik kan niet dood.

De Onzekere trok de handboeien nog dichterbij en fluisterde. “Drie jaar heb ik achter je aan gezeten. Drie jaar door jou voor schut gezet, totdat ik je eindelijk te pakken had, het uitschot dat je bent. Hoe passend dat ik het mag afmaken.”

“Ik hoopte al dat je dat zou zeggen.”

De ijzeren boeien spleten als ware het grassprietjes. Zijn handen schoten naar voren als vuurpijlen, weer rood en stomend, en stootten de Onzekere tegen de borstkas naar achteren, alsof hij niet meer woog dan de wind.

Twintig meter verderop liet hij een mensvormig gat achter in een stenen muur.

Alle soldaten renden op hun leider af, alsof ze vergeten waren welke demonische kracht hem had afgeschoten. Alle soldaten, behalve degene die hem nog steeds vasthield.

Hij trok Enriels hand naar achter en trok zijn helm recht om geen identiteit te onthullen.

“Kom met mij mee.”

“Ik vertrouw je niet.”

In een reflex probeerde Enriel ook deze soldaat weg te duwen, maar de krachten waren alweer weg. Ze komen dus niet wanneer ik in gevaar ben. Ze komen wanneer mijn kinderen in gevaar zijn.

“Wie ben jij?” wist hij te mompelen.

“Geen tijd, kom mee.”

“Codewoord?”

“Pardon?”

“Mijn kinderen, ze hebben een codewoord voor als—”

“Kom. Mee.” Hij trok uit alle kracht, maar Enriels flinke gewicht verhinderde elke vorm van beweging. Maar als ik mijn krachten nu niet heb, dan betekent het …

“Je kunt me vertrouwen.” Enriel beantwoordde de uitgestoken hand en liet zich meetrekken.

Zijn wonden, echter, waren weer opengegaan en zijn honger leek inmiddels eindeloos. Hij viel flauw.

B.2 Shilata

De Kino-Ka was een bijzondere vrouw. Ze zei altijd dat we iemand moesten herinneren aan hun goede eigenschappen. Dus ik heb even een lijstje gemaakt: ze was wijs, al haar voorspellingen kwamen uit, ze gaf ons altijd lekkere fruitsnoepjes, en bovendien was ze oneerlijk goed in verstoppertje.

Vader stond naast Ippo’s hangmat. Hij was jonger; minder gespierd, maar ook minder beschadigd. Hij keek omlaag, lachte, en kriebelde zijn jongste zoon onder de oksels. Die kon maar niet ophouden met schaterlachen. Hij wilde elke avond een kietelsessie, geen uitzonderingen, en daarna een laatste verhaaltje.

“Hetzelfde verhaal als altijd?” Vader sprong behendig in de hangmat erbij en legde Ippo zachtjes op zijn buik. “Daar ga ik dan maar vanuit.”

“Ooit was er niets. De wereld was zwart, zonder licht, zonder warmte. En uit die leegte ontstond onze god, Li-ne. Hij schiep de aarde, de zon, de natuur, de sterren, al dat moois. En uiteindelijk het mooiste van allemaal: de mens.”

Ippo glimlachte. “Maar de wereld moet constant blijven. Voor elke positieve kracht bestaat een even grote negatieve kracht. Ri-ne, god van de verwoesting.”

Zijn glimlach keerde ondersteboven en hij werd onrustig.

Dit was altijd het moment dat Ippo besefte dat hij droomde. Dat het maar een herinnering was uit lang vervlogen tijden. Voordat vader leider werd van de stam, voordat hij die taak ooit moest overnemen. Maar de herinnering was te fijn om niet bijna dagelijks te bezoeken.

“Ri-ne was jaloers op de creatie van zijn tegenhanger. Maar hij kon het niet meer ongedaan maken. Wat hij ook op de wereld gooide—aardbevingen, vulkaanuitbarstingen, zondvloeden—de mens was koppig en bleef maar overleven.”

Inmiddels was Ippo zo onrustig als maar kon, wat dit sprookje behoorlijk ongeschikt maakte als verhaaltje voor het slapengaan. “Ri-ne moest subtieler werken. Hij veranderde de mens. Hij gaf iedereen een duistere kant, een kleine beschadiging van de ziel, zodat mensen niet meer perfect zouden zijn.”

Vader gaf hem een kus op het voorhoofd. “Maar geen zorgen, kind, Ri-ne is lang geleden verslagen. Het bewijs is overal om ons heen, in de natuur die geneest en voedt, de zachte warmte van de zon. Weet dat Li-ne op je neerkijkt en je zal beschermen.”

En Ippo was weer rustig. Ogen gesloten, voelde hij de warmte van vaders lichaam, en sliep al bijna. Het enige wat miste was een slaapliedje.

Zijn vader kon prachtig zingen. Hij begreep niks van de woorden—toen niet, en nu nog steeds niet. Maar het klonk alsof ze er altijd al waren geweest. Alsof dit lied al werd gezongen voordat alles bestond, en zal worden herinnerd zelfs nadat er niemand meer was om het te zingen.

Normaal gesproken luisterde hij het lied zo ver mogelijk af. Deze keer niet. Deze keer veranderde het lied ineens na de tweede zin.

Andere stemmen begonnen mee te zingen. De woorden veranderen naar iets wat hij wél kon verstaan. Ze klonken dreigender, alsof ze opbouwden naar een climax, een groots moment waarop iets ging gebeuren. Dat was niet de bedoeling van liedjes.

De stemmenzee groeide. Mannen, vrouwen, kinderen, en een aap begonnen mee te doen.

Het was prachtig om te horen, om de geluidsgolven door zijn hele lichaam te voelen trillen, als Ippo het nummer niet had herkend.

Maar hij kende het te goed, omdat hij honderden keren had meegezongen. De Shilata, ook wel het dodenlied.

Hij werd wakker.

Zijn hele bovenlichaam voelde pijnlijk, ondanks het zachte bed van bloemen waarin het lag. De rest van zijn lichaam voelde hij niet. Ik heb vast veel te lang gelegen. Als je spieren niet gebruikt, verdwijnen ze, zei moeder altijd.

De hele stam was samengekomen rondom zijn bed. Ze hielden direct op met zingen toen Ippo hen één voor één aankeek.

“Hij leeft! Weer heeft de Kino-Ka gelijk!” Zijn grootvader schudde van geluk zijn ongelukkige buurvrouw door elkaar.

‘Noem die naam niet.” Bij het horen van vaders stem ging een rilling door Ippo heen. Hij wilde zijn vader naast zich hebben, hij wilde worden vastgehouden, maar zijn vaders aanraking had een andere betekenis gekregen.

Iets stak in zijn keel. Hij kuchte en hoestte een harde schelp in zijn hand, even later gevolgd door een vieze groene brei.

Zijn moeder rende naar hem toe en greep zijn handen. “Ippo. Ippi. Ipper. Je leeft! Mijn mupi, oh, je … leeft!” Ze gaf hem een zoen, en nog een zoen, en nog meer zoenen dan hij kon bijhouden, tot het punt dat hij niet meer wist of hij werd gezoend of een plens water op zijn voorhoofd kreeg.

Zijn vader had ook eindelijk zijn plek naast het sterfbed gevonden en keek met een moeilijk te duiden uitdrukking.

“Ik zei toch dat die ketting belangrijk was. Die geneeskrachtige kruiden werken! Je kunt er nooit genoeg van hebben.”

“Die kruiden werken niet. Hij heeft ze toch net allemaal opgehoest? Ik heb gebeden en Li-ne heeft hem teruggegeven.”

“Wil je hier nu een discussie over hebben?”

Zijn vader haalde zijn schouders op. Zijn ogen waren rood, zijn stem op het punt van falen. Hij ontweek ieders blikken en met name die van zijn zoon.

“Waarom zongen jullie de Shilata? Ik ben toch niet dood?”

“Schat,” zijn moeder liet haar hand over zijn hele lichaam glijden, als om te bevestigen dat het geen droom was. “Je was bijna dood. Je hebt dagenlang stilgelegen, nauwelijks een ademhaling of hartslag.”

Ippo fronste. “Ik heb wat wondjes. En wondjes genezen, dat zei jij altijd.” Wees niet bang om te vallen, mijn kind, je zult opstaan als sterker mens.

“Niet … alle wondjes. Je—”

“Je bent verlamd.” Vader keek hem eindelijk aan, maar met een diepe frons, alsof hij hardop dacht.

“Moet dat nou? We weten het niet!” Moeder brak ondertussen de laatste onderdelen van vaders ketting en gooide de kruiden bij elkaar.

“Probeer je benen te bewegen, Ippo. Of je tenen te wiebelen.”

Hij probeerde. En probeerde. Hij klemde zijn kaken en zette zijn armen schrap, alsof dat zou helpen. Het bewoog niet. Het luisterde niet. Zijn lichaam was een andere taal gaan spreken.

“Ik moet gewoon blijven rennen, dan komt het vanzelf goed.”

“Schat—”

“Ik heb nog jaren voordat ik Kino moet zijn, ik kan beter worden!”

De stemverheffing was te veel voor hem. Hij moest lang hoesten en viel met zijn bovenlichaam terug op de verzameling prachtige bloemen omringd door exotische stenen.

Zijn grootvader voegde zich bij de kring van verzorgers rondom zijn sterfbed. “De Kino-Ka—”

“Nog één woord over haar en jij mag ook vertrekken.”

“Iemand … een verre kennis die u niet kent … had dit voorspeld. Wilt u niet weten hoe de rest van de voorspelling gaat? Wilt u niet weten hoe het afloopt met Ippo?”

Daar dacht zijn vader even over na. “Nee.”

Wat is er gebeurd? Wat hebben ze met haar gedaan? En waar is Tiria? Is ze gewoon weggegaan? Haar speelmaatje bijna dood en ze zoekt een ander vriendje om plannetjes uit te voeren? Lekker hoor.

“Ik wil wél weten hoe het met mij afloopt. Die … verre kennis van u had altijd gelijk.”

“Ippo is zojuist opgestaan uit de dood! Laat hem met rust, hij moet slapen en eten.” Vader pakte zijn schouders om hem op te tillen, maar hij schoot onvrijwillig opzij en keerde zijn lichaam uit vaders greep. Wat gebeurt er met me?

De tweede keer liet hij zich oppakken, maar zijn grootvader kwam langszij lopen en sprak luid en duidelijk.

De kreupele jongen zal weer lopen, maar zal dit met een onbegrijpelijke prijs moeten kopen.

“Geweldig, nog meer raadsels?”

“Denk erover na, Kino. Ik smeek je. Deze voorspelling is duizenden jaren geleden gemaakt, hoe kon die persoon weten dat Ippo dit zou … overkomen? Dat is toch geen toeval?”

Weer viel vader stil. Uiteindelijk kalmeerde hij en sprak somber: “We bespreken dit als Ippo veilig in bed ligt en slaapt.”

Enkele minuten later was hij door zijn ouders in bed gestopt, inclusief een regen van moederlijke kussen en vaderlijke woorden die waarschijnlijk opwekkend bedoeld waren, maar hij had geen idee, want hij wist niet wat de woorden inherent en subliem betekenden. En de zin van het leven was hem ook onduidelijk, hoewel zijn vader daar geen antwoord op leek te verwachten.

Hij probeerde opnieuw zijn tenen te wiebelen. Hij beeldde in dat hij in de bomen klom, samen met Tiria, en moeiteloos van tak tot tak kon springen. Het hielp niet. Wondjes genezen. Ik kan het weten, dus waarom doen ze allemaal zo raar?

Zijn vader en grootvader zaten rond het kampvuur te praten. Ippo deed alsof hij sliep, maar toen ze uit zicht waren tikte hij met zijn neus een lap stof opzij, wat de discussie net hoorbaar maakte.

“Als het zo blijft, zal hij nooit lopen. Hij zal nooit Kino worden, maar wel die titel erven.”

Zijn vader gromde. “Hoe zeer het mij ook pijnigt, je hebt een punt. Een Kino die de stam niet kan beschermen en niet kan jagen is waardeloos. Niemand zal tegen hem opkijken, niemand zal hem respecteren.”

“Als er ook maar een mogelijkheid is dat hij geneest, moeten we die aangrijpen.” In kleinere groepen, leek grootvader altijd minder te stotteren en scherper te spreken.

Vader mompelde iets tegen zichzelf. “Ik kan een tweede zoon krijgen … "

Zijn grootvader sprak er haastig overheen. “Nee, nee, zo moeten we niet denken. Sowieso blijft Ippo dan nog steeds de rechtmatige Kino.”

“Mijn dochter was de rechtmatige Kino, totdat jouw geliefde opperwijze haar liet ontvoeren! Tijden veranderen, mensen veranderen. Maar één ding blijft constant: mijn leiderschap zal de stam niet te schande maken.”

“Suggereert u nu—”

“Mijn prioriteit is het overleven van deze stam, wat daarvoor ook nodig is.” Vader stond op, stootte met volle kracht zijn speer in de moddergrond en ijsbeerde rondom het vuur.

“Zegt die voorspelling nog meer?”

“Niet dat ik weet, mijn Kino.”

“Dan wordt het een tweede zoon.”

Een tweede zoon? Wat … wat gaat er met mij gebeuren? Ik moest Kino worden! Ik heb jarenlang getraind! Gaat hij me …

Hij hoorde zijn grootvader nog enkele angstige woorden spreken, maar was te laat om ze op te vangen. Een stem verscheen in de diepste krochten van zijn gedachten. Hij gaat je vermoorden. Hij moet je weghebben. Dan kan hij een nieuwe zoon krijgen. Een betere. Een echte Kino. Hij gaat je—

De lappen stof werden opzij geduwd en vader was binnen.

“Blijf bij me vandaan!” De gil was pijnlijk hard en veranderde zijn wereld tijdelijk in een piep. Vader sloeg de handen tegen de oren, maar liep door.

Hij naam plaats op de rand van de hangmat. Ippo wilde schoppen en wegkruipen, maar was gedwongen stil te liggen.

Vaders ogen zochten naar antwoorden in die van Ippo. “Ik begrijp dat je bang bent. Wat jou is overkomen is … verschrikkelijk. Maar je hebt de oude man gehoord: je zult genezen.”

Hij kalmeerde, maar hield zijn handen vrij en bleef op zijn hoede.

“Hij heeft me overtuigd. We gaan je op een andere manier trainen.”

“Een andere manier?”

“Je hoofd werkt nog prima. Iedereen in de stam kan je alles leren over welk onderwerp dan ook. Je zult alle planten leren herkennen, je zult de beste jachttechnieken weten, alles wat nodig is om deze stam te beschermen.”

“Maar alleen terwijl ik herstel?”

“Alleen terwijl je herstelt.”

“En dan?”

“Wat bedoel je?”

“Mag ik dan met Tiria trouwen, drie kinderen krijgen en een grote gespierde Kino worden?”

Zijn vader lachte. Hij lacht nooit. Maakt hij me nou belachelijk?

“Ti, mupi. Je hebt geen idee hoeveel plezier het mij doet om jou met Tiria te zien. Drie kinderen is wel een specifiek getal, waar komt dat vandaan?”

“Geen idee. Dat doen volwassenen toch?”

“Ha! Je mag zoveel kinderen hebben als je wilt, maar daar moet je nu helemaal niet aan denken. Je bent pas zeven, wie weet wat je nog te wachten staat.”

Opnieuw verscheen iets in de deuropening; deze keer was het zijn geadopteerde aapje. Voor het eerst sinds zijn ontwaken kon Ippo helemaal ontspannen. Het aapje sprong op zijn borstkas en hun neuzen schuurden elkaar. Hij probeerde hem te knuffelen, maar wist wat zijn huisdier echt wilde: eten.

Voordat hij het doorhad was zijn aapje er met de bak noten vandoor. Prima aapje, ik ben toch te moe om te eten. Maar als jij er bent, moet Tiria er ook zijn.

Zijn vader stond op. “Ik zal Tiria vertellen dat je hier bent, als ze terug is.”

“Waar is ze heen?”

“Ze is—”

Voor de derde keer waaide de stoffen deur onnatuurlijk alle kanten op. Een bezwete krijger stond in de opening.

“Kino, we hebben een probleem.”

Vader was meteen alert en greep zijn wapens. “Is de Kino-Ka gevonden?”

“Nee, geen spoor van haar.”

Een tweede krijger betrad hijgend de hut, een flinke wond op zijn arm.

“Wat dan? Wat is er gebeurd?”

“De Lekii zijn in aantocht.”

“Krijgers?”

“Onder andere.”

“Jagers?”

“Ti.”

“Kinderen?”

“Ook.”

Het groeiende besef was op vaders gezicht te lezen. “Bij Ri-ne! Ze komen allemaal?”

“Daar lijkt het op.”

C.2 Wiskunde

Ze weten niet hoe het is om je permanent dom te voelen. Om, elke keer als moeder meekijkt, zelfs te twijfelen of je boterham-smeer-techniek wel juist is en of je rug wel perfect 90 graden overeind staat. Ze hebben geen idee hoe het is om te leven met een geniale wiskundige. Maar ik ben niet jaloers hoor—haar geweldige salaris houdt ons al jaren op de armoedegrens.

Miralla sloop naar haar moeders slaapkamer. Voetstappen klonken, te zwaar en te gehaast om van haar moeder te zijn, afgewisseld met kort getik tegen de muur.

De deur stond op een kier. Amateur. Iedereen weet dat je eerst de omgeving checkt wanneer je inbreekt. Ze nam plaats tegen de deurpost en gluurde naar binnen.

Een man, gekleed in een bruin pak, bekeek de berg aan verfrommelde papiertjes op moeders bureau. Regelmatig trok hij met zijn linkerhand een lade hardhandig open, terwijl zijn rechterhand tegen de muur bleef tikken.

Als het overdag was geweest, en haar moeder was thuis, was ze zonder problemen de kamer ingestapt om de man te confronteren. Maar het was donker, de buitenlucht nog schemerig en mistig, en bovendien had ze natuurlijk geen schijn van kans. Die vent was twee koppen groter en zag er geïrriteerd uit, ook al zag ze slechts zijn achterhoofd.

Wat moet iemand met moeders formules? Zijn alle wiskundigen gek geworden? Wacht, ik moet dat trucje weer doen. Ze sloot haar ogen en concentreerde … maar geen beelden verschenen. Ze probeerde het nog een keer, maar het enige resultaat was een zacht knorrende maag.

Toch knaagde er iets aan haar gedachten, en het duurde even voordat ze het kon duiden. Hij gebruikt zijn linkerhand voor de zware dingen. Hij is links! Net als die mysterieuze persoon van gisteren.

Door haar lange gedachtegang ontdekte ze pas laat dat de man inmiddels haar kant op kwam. Ze onderdrukte ternauwernood een gilletje. Haar zwarte shirt over het hoofd getrokken, dook ze ineen op de grond. Het is hier pikkedonker, misschien …

De man kwam de gang op. Hij bleef even stil staan en keek om zich heen. Miralla sloot haar ogen en hield haar adem in. Niet omlaag kijken. Niet omlaag kijken.

De voetstappen begonnen weer te bewegen en renden nu de trap af. Toen ze haar ogen opendeed, was de man weg, maar de gang goed verlicht. Alle vijf de kaarsen brandden voluit en alle gordijnen waren plots geopend. Dat ging maar net goed.

Ze inspecteerde snel moeders slaapkamer, maar er leek niks gestolen, en de kamer leek zelfs nóg netter dan voorheen. Echt een amateur.

De keukendeur beneden kraakte en piepte open, aangezien geen enkele deur in haar huis nog fatsoenlijk openging. Wat ben ik nou raar aan het doen? Ik ga die vent toch niet zomaar laten gaan! De schemering was bijna opgeklaard, en ze was toch te vroeg opgestaan, dus ze sloop op haar tenen de trap af.

De man stond voor de koelkast en schreef een nieuw briefje. Enkele seconden later plaatste hij opnieuw een mislukte smiley onderaan het briefje en liep fluitend het huis uit.

Miralla kroop over de keukenvloer—de man zou haar door het grote keukenraam nog kunnen zien—en bekeek het briefje. Maak je geen zorgen, ik ben oké. Ik heb je school uitgelegd dat ik even weg ben. Als er iets is, kan je bij hen terecht.

Het klonk wel als moeder. Als ze hier nu was, had ze het precies zo gezegd. Maar het was nu overduidelijk dat er iets aan de hand was. Waarom kwam ze niet zelf langs? Waarom komt een man haar spullen doorzoeken en briefjes vervalsen?

Ze had haar telefoon al in haar hand. Toch de politie bellen? Ik weet het mam, je wil het niet, maar … maar wat moet ik anders?

Het nummer stond al op het scherm, toen het tuinhek dichtviel. Aaaah, ik haat je mam.

Ze sprong op en rende het huis uit. De man kon niet ver weg zijn, zo nonchalant als hij haar huis uitwandelde. Ze zou hem, midden op straat, tientallen ooggetuigen, eens vragen wat hij aan het doen was.

Enkele tellen later hoorde ze inderdaad weer voetstappen. Ze versnelde, want wie hard kon fietsen, kon nog harder rennen. Haar buurjongen sprong voor haar aan de kant, en alle andere voetgangers volgden zijn voorbeeld, maar toen ze de hoek omsloeg eindigde ze met haar gezicht tegen iemands borstkas.

“Mirmir?”

Haar ellebogen schraapten over de stoeptegels, maar ze rolde behendig op haar zij en wist grotere schade te voorkomen. “Meneer Eleban,” kraakte haar stem, “u hier?”

“Ik kom je ophalen.”

“Ophalen?” Hij stak een arm uit en hielp haar overeind. “Sinds wanneer is dat een ding?”

“Je moeder had me gevraagd.”

“Ja ja. Weet je zeker dat het niet een man was in een bruin pak?”

“Nou, ja, eh, ik weet dat je moeder niet de meest vrouwelijke gelaatstrekken heeft, maar om haar nou een man te noemen, Mirmir? Vind ik een beetje laag bij de grond.”

Terwijl ze haarzelf afstofte, speurde Miralla de omgeving af. De man was verdwenen, als in rook opgegaan, maar dan zelfs met onzichtbare rook, die je ook niet kon ruiken, of voelen, of—hoe dan ook, hij kon verdwijnen, en goed ook.

“Kom.” Meneer Eleban liep al weg, met alle vertrouwen dat ze hem zou volgen. “Ik neem je mee in de auto.”

“Auto?” Haar stem sloeg over. Ze had wel eens van die dingen gehoord. Vroeger had iedereen er zo eentje, blijkbaar, zelfs de minder rijke mensen. Totdat ze werden verboden.

“Of was je van plan naar school te rennen?”

Ze was te verbaasd om te reageren, of simpelweg te moe en hongerig. Ineens voelde ze de hele straat naar haar kijken, met haar onverzorgde haar, ongestreken kleding, en onflatterende houding. Laat me met rust. Ga lekker boodschappen doen ofzo.

“Ja, ja, ja, ik weet het. Als leraar heb ik een uitzonderingsfunctie. Geen zorgen, het is compleet veilig, en ik gebruik hem bijna nooit.”

Ze moest snelwandelen om haar docent bij te halen. “Maar waarom moet je mij naar school brengen? Moeder weet dat ik echt wel zelf verantwoordelijkheid neem.”

“Daarom juist.”

Met die cryptische zin opende hij zijn autodeur en duwde haar voorzichtig naar binnen. Ze had moeite niet meteen in slaap te vallen in de grote, zachte, comfortabele stoelen. Het voelde enigszins bedrukkend, en de muffe geur van de auto maakte haar misselijk, maar tegelijkertijd was ze blij dat ze vandaag even niet naar school hoefde te racen.

Eleban nam plaats achter het stuur. Althans, dat dacht ze, totdat bleek dat het ronde ding het stuur was. Pas toen ze al minutenlang onderweg waren, durfde ze haar vraag te stellen.

“Mag ik praten terwijl je autorijdt?”

Eleban lachte. “Ja natuurlijk. Het is een automatisme, ik kan ondertussen andere dingen doen.”

“Waarom doet moeder zo geheimzinnig? Wat is ze aan het doen? Blijft ze lang weg? Is er iets gebeurd? Ken je iemand die alleen maar bruine pakken draagt?”

Bij elke nieuwe vraag leek Eleban ietsje ouder te worden. “Oké, terug naar het begin. Ik weet ook niet alles, het is heel geheimzinnig.”

“Niet jij ook al.”

“Een paar dagen geleden kwam je moeder naar school toe. Ze was uitgenodigd voor een uiterst geheime vergadering tussen de beste wetenschappers van elk land.”

Ze had moeite om haar aandacht erbij te houden. Het voorbijschietende landschap, het rustige gerommel en gedrum van de automotor, het had iets dromerigs.

“Ze mocht ons verder niks vertellen. Al onze zoektochten op het internet hebben niks opgeleverd, zelfs niet die van onze beste informaticadocenten. Dus ik denk dat je moeder nu inderdaad onderdeel is van een of andere geheime missie.”

**”**Hebben jullie iets gehackt?" Ze kreeg een grote glimlach en ging iets meer rechtop zitten. “Alsjeblieft, zeg me dat jullie hebben geprobeerd de overheid te hacken?”

“Nee, Mirmir, dat zeg ik niet.”

“Ah, je zegt het niet, maar het is wel zo.”

“Desalniettemin, je moeder zei dat ze best even weg kon zijn. Ze hoopte van niet. Ze hoopte binnen een dag nog terug te komen. Maar ze kon ons verder niks vertellen, alleen dat we even op je moesten letten.”

“Waarom zei je dat gister dan niet?”

“Tegenover de hele klas uitleggen hoe jouw moeder een supergeheime afspraak met de overheid heeft?”

Oké, punt gemaakt. Ze waren al bijna bij school. Ze had haar vaste ochtendtelefoongesprek met Jip gemist, waar ze vast nog een hoop over te horen kreeg, want ze zei gister dat ze een “superleuke boy” had ontmoet, wat waarschijnlijk betekende dat ze inmiddels al een relatie met hem had.

Het voelde raar. Met haar docent naar school rijden was eigenlijk niet veel anders dan met haar vrienden samen fietsen. Ze dacht dat het gênant zou zijn, oncomfortabel, alsof je moet praten met iemand die jouw taal niet spreekt. Al haar vrienden zouden haar vast uitlachen als ze uit de auto stapte. Maar het was meer alsof haar vader haar afzette bij school.

Ugh, bah. Vader? Noemde ik mijn aardrijkskundedocent nou echt vader? Slaaptekort is niet goed voor een mens. Ze veranderde snel haar gedachten.

“Maar … wat zouden ze kunnen bespreken bij die supergeheime organisatie?” Het was vooral hardop denken, maar ze hoopte dat haar docent toch een antwoord had. “Mijn moeder is geniaal, maar ze heeft nooit eerder veel aandacht gekregen, zeker niet van de overheid.”

“Ik kan slechts raden, op basis van kennis uit het verleden. Er is ergens iets gebeurd, of men denkt dat er binnenkort een ramp gaat gebeuren. Om wereldwijde paniek te voorkomen, willen ze het stiekem oplossen, voordat het ooit naar buiten komt.”

“Zoals met die … stenen van Ork, of niet?”

“Aha! Ik wist wel dat je oplette!”

“Hoe lang duurde het voordat de Raad van Pa de vondst bekend maakte?”

“Och, kind, je wil niet weten.” Er klonk hardheid door zijn opgewekte stem. “Het duurde vijftig jaar. Vijftig jaar voorsprong op het energieprobleem zijn we kwijtgeraakt. Enkele van de oorspronkelijke archeologen schijnen zelfs … op mysterieuze wijze te zijn verdwenen.”

“Hoe kan je zo dom zijn?” Nooit verwacht dat ik, van alle mensen, die zin zou zeggen.

“Het is ook dom, maar niet onbegrijpelijk. Al jarenlang moest iedereen aan strikte energieregels voldoen. Mensen mochten niet meer autorijden, iedereen mocht alleen in z’n eigen land producten verkopen, je weet het allemaal. Als ze dan zeggen kijk we hebben deze stenen die oneindig veel energie lijken te hebben, hoe goed denk je dat de regels worden opgevolgd?”

Ineens stonden ze stil, honderd meter van de ingang van haar school. Een grote groep geiten en schapen stak de weg over, begeleidt door een herder die hen aankeek alsof hij een spook zag.

“Hier eindigt onze reis.”

“Dat vind ik nou teleurstellend.”

Eleban lachte weer, terwijl hij dringend wees naar iets in haar deur. Hij wees nog een keer, maar zuchtte uiteindelijk en leunde over haar heen om zelf de deur open te doen.

“De wegen hier zijn grotendeels kapot. Er is toch niemand die ze echt gebruikt. Bovendien wil ik niet eens proberen om tussen honderd leerlingen te manoeuvreren.”

En ja hoor, toen Miralla de voordeur eenmaal had bereikt stonden haar vrienden haar glashard uit te lachen. Eleban liep nietsvermoedend door, alsof hij meteen was vergeten dat hij haar hoogstpersoonlijk naar school had gebracht. Hij kan het ook niet weten—hij blijft mijn docent, geen vriend. Hij volgt gewoon de instructies van de school op. En ik ben een domme leerling die net zelfstandig naar school kan komen, blijkbaar.

“Nou ja zeg,” riep Jip, terwijl ze vrolijk naar de les huppelde. “Ik helemaal de perfecte jongen uitzoeken, loop je zelf al met iemand te sjansen!”

“Jip. Je gaat toch niet serieus zeggen—”

“Nee, natuurlijk niet. Maar Eleban heeft wel een hele leuke zoon, heb ik gehoord … "

“Oh. Ik wist niet dat hij een zoon had.” Zeg dat nou niet, nu nodig je haar uit! Ze sprak snel verder. “Hij heeft het nooit over hem, terwijl hij maar al te graag vertelt over de avonturen van hem en zijn vrouw. Raar toch?”

Zonder ook maar op te kijken naar de docent, stapten ze het Wiskundelokaal in. Jip leek niet zo geïnteresseerd in Elebans leven als Miralla en veranderde van onderwerp.

“We moeten wel iets doen aan je uiterlijk hoor,” fluisterde ze. “Je hebt nu al vier dagen dezelfde kleding aan. Dat kan natuurlijk niet.”

“Wat maakt het uit?” Een beetje irritatie kon ze niet weghouden uit haar stem. “Jij bent degene die op date gaat binnenkort.”

“Nee, jij.”

Ze kwamen abrupt tot stilstand, middenin het gangpad. Alle ogen waren op haar gericht, wat inmiddels een terugkerend fenomeen bleek te zijn.

“Maar je zei gister dat je zelf een superleuk persoon had gevonden?” fluisterde ze.

“Jij laat mij nooit mijn zin afmaken. Ik wilde zeggen: een superleuk persoon voor jou.”

“Dames, dames.” De stem van de wiskundedocent kwam altijd met gemak boven al het rumoer uit. “Bespreek je liefdesperikelen maar na de les.”

Miralla voelde haar hele lichaam opwarmen, haar wangen rood gloeien. Jip weet wat voor persoon ze is—ze kennen elkaar al hun hele leven. Jip weet hoe ze leeft, hoe hoge eisen ze stelt aan iemand, hoe nog hogere eisen haar moeder stelt, en vooral hoe liefde totaal geen prioriteit heeft in haar leven.

Dus als zij zegt iemand te hebben gevonden voor haar … misschien heeft ze dan écht iemand gevonden? De gedachte maakte haar warm en ze gleed ineens elegant naar haar plek.

Dat warme gevoel verdween al snel, toen een groep jongens achter haar hun neus ophaalden en niet-zo-subtiel verderop gingen zitten, en een groepje aan de andere kant van de klas haar nog steeds uitlachten. Wat doe ik ook. Ik moet mijn leven eerst op orde krijgen, dan pas denken aan iets anders.

“Vandaag gaan we het hebben over de stelling van Lekii.”

Iedereen deed gedwee hun schriften open en schreef mee, maar haar warme gevoel was toch niet helemaal verdwenen, en het was genoeg om haar hele lichaam onrustig te maken.

Haar hoofd had inmiddels al tientallen scenario’s uitgespeeld—hoe de jongen eruitzag, wat haar eerste zin zou zijn, wat zijn eerste zin zou zijn, wat haar moeder ervan zou vinden, toen een korte fantasie over welke geheime organisatie haar moeder nu aan het adviseren was, en uiteindelijk een halve nachtmerrie over de ware aard van de man in het bruine pak.

“… en dat is het bewijs voor de stelling van Lekii. Opmerkingen?”

“Pff, dat bewijs is zo leki als een mandje.”

“Ik zie het nu ook, je hebt helemaal geleki!”

De twee vrienden kwamen niet meer bij van het lachen. Haar docent deed vrolijk mee. “Jongens, gaat ie leki?”

**”**Even serieus, deze stelling is extreem belangrijk. Bijna onze hele samenleving draait hierop. Als je moeite hebt met de naam, het heet ook wel de stelling van Azoni."

Miralla kon het warme gevoel niet kwijtraken, wat enerzijds fijn was, maar anderzijds voor verwarring zorgde in haar hele hoofd en lichaam. Ze keek nu pas voor het eerst richting het bord.

Ze herkende de symbolen direct. Haar moeder was hiermee bezig. Een tijdje geleden, in ieder geval. Voor ze het wist hing haar vinger in de lucht.

“Ja, Miralla?”

“Regel drie heeft een fout. Regel vijf kan korter. En die tweede aanname is denk ik onnodig, maar dat weet ik niet zeker.”

Haar docent bevroor op zijn plek. Hij bestudeerde het bord voor een volle minuut, in absolute stilte, waarna hij langzaam dingen begon uit te vegen en opnieuw op te schrijven, alsof zijn arm bijna was bevroren. Zijn ogen nog steeds vol verbazing, keerde hij direct tot Miralla.

“Hoe weet jij dit?”

Ze haalde haar schouders op. “Mijn moeder is wiskundige. Als je wil, ze heeft mijn hele werkboek vol gekliederd met fouten en verbeteringen. Maar ik snap best als je dat niet wil lezen.”

“Als je … als je wil, Miralla, zou ik het een en ander met je willen bespreken na de les. Er zijn weinig mensen die de stelling en het bewijs écht begrijpen. Er zijn nog minder mensen die hem kunnen verbeteren.”

Jip stootte haar aan en gaf een snelle knipoog. Oh god, dit gaan mijn vrienden me nooit meer doen vergeten.

“Nou, ja, ik zou vereerd—ik zou eh—”

Nee, niet accepteren. Dan ben je niet cool. Dan ben je een nerd, of een betweter. Ik ga hem afwijzen, dan krijg ik wat respect. Nonchalant slim zijn, dat is het toverwoord. “Nee sorry, ik heb het te druk.” De docent kreeg het voor elkaar om nóg verwarder te kijken. “Maar bedankt voor het aanbod,” mompelde ze erachteraan.

“Oh, jammer. Weet je het zeker?”

“Ja—zo zeker als ik zeker ben. En kan zijn. En ben.” Misschien moet ik gewoon nonchalant mijn mond houden.

“Nou, tja, je kunt er altijd op terugkomen. Klas, als jullie ooit vragen hebben, ga dan maar bij Miralla langs. Ze heeft duidelijk een sterk wiskundig inzicht.”

Ze hoorde gerommel op de gang. De bel was nog niet gegaan, dus haar hoofd draaide instinctief opzij, nieuwsgierig. Net genoeg om in haar ooghoek een bruine vlek op te vangen.

Haar stoel vloog naar achter. Ze sprong op tafel, zwaaide vluchtig naar de docent, en rende het lokaal uit.

“Miralla! Hé!”

Weer zag ze slechts het achterwerk van de man in het bruine pak, vlak voordat hij een nieuw gang insloeg. Ze rende erachteraan, bijna struikelend, haar voeten sneller dan haar hoofd kon bijhouden.

De trap. Hij nam de trap omhoog. Yes, dan kan ik hem vastzetten. Er is maar één manier om naar beneden te komen.

Op volle snelheid volgde ze het pad, de trap op, de overloop over, de volgende trap op, tot aan het dak, maar elke keer bleef de man haar voor, ondanks zijn nonchalante loopje.

Hijgend opende ze de deur naar het dak. Ze durfde niet om zich heen te kijken—ze was nog nooit dertig meter boven de grond geweest, zeker niet zonder iets van een reling om je veilig op die plek te houden.

De man stond richting de rand van het dak en keek uit over de stad, alsof hij hier elke avond kwam om alleen te zijn en filosofisch na te denken over het leven, of wat volwassenen dan ook bedoelen als ze even alleen willen zijn.

“Je hebt honger.” Ze was muisstil geweest, altijd op veilige afstand van de man. Hij had nooit omgekeken. En toch wist hij precies wie ze was en waar ze stond. “Je moet wat eten, anders val je straks nog flauw. Op deze hoogte … lijkt dat me niet verstandig.”

“Wie ben jij?”

“Iemand die jij na vandaag zal vergeten.”

Ze sloop naar voren. Ik heb zo’n genoeg van al die mysterieuze mensen. Maar als ik hem even laat praten, kan ik hem misschien bespringen. “Wat heb je met mijn moeder gedaan?”

“Voor de zoveelste keer: je moeder is veilig, ze helpt ons, we hebben haar nodig.”

“Ik geloof dat pas als ik haar stem hoor. Als ik haar mag bellen en zij mij dit zelf vertelt.”

“Er zijn dingen aan de hand, Miralla. Krachten die zelfs wij niet kunnen beteugelen. Je speelt met vuur. Wij willen geen verbrand tienermeisje op ons geweten hebben.”

Nog maar een paar meter. Ze stond nu vlakbij de rand en had geen keus meer: ze moest naar beneden kijken. Haar hart begon sneller te kloppen, haar handen te zweten, bij het zien van de lange val. Maar dit was het moment: hij kon nergens heen. Nu gewoon niks doms doen, Miralla. Je doet altijd iets doms. Nee, niet je ogen sluiten, hoe bang je ook bent.

“Als ik weet waar het vuur is of wat het inhoudt, kan ik beter uit de buurt blijven.”

“Het vuur is overal, dat zie je toch ook wel? Als ik je moeder mag geloven, ben jij een van de weinige die dat ziet. De aarde staat in de fik.”

Nog eventjes. Bedenk iets. “Breng me dan dichterbij het vuur, zodat ik het kan zien.”

Hij schudde lichtjes zijn hoofd. “Je blijft spelen met vuur. Hoogmoed komt voor de val.”

Ik moet zijn gezicht zien. Dan kan ik hem aangeven bij de politie, of de school, of wie dan ook. Dan kan ik hem te pakken krijgen. Ze plaatste haar voeten stevig op de grond, ging door haar hurken, en spreidde haar armen.

Ze sprong naar voren.

Iets warms en zwaars leunde kort tegen haar lichaam. In een reflex greep ze het vast, klampte eraan vast, nagels in de huid gegraven—maar ineens was het weg.

Druppels liepen langs haar huid, alsof ze door mist was gesprongen, en ze landde vol met haar gezicht terug op het dak.

Haar zicht werd donkerrood van het bloed, terwijl ze doorrolde, haar armen hulpeloos zwaaiend in het luchtledige, niet in staat haar af te remmen, niet in staat een reling te grijpen.

Ze rolde van het dak en begon aan de lange val.

A.3 De Omgekochte

Misschien is het te veel gevraagd. Je hebt me al meer geschonken dan ik kon wensen. Meer dan ik recht op had, zeker gezien de omstandigheden. Maar ik smeek je: ontmoet me op de klif, bij het vallen van de avond. Als ik je nog een keer mag zien, mag voelen, mag ruiken, dan hou ik mijn belofte en vertel het geheim—als de tijd rijp is.

Enriels bewustzijn verdween net zo snel als dat hij kwam, keer op keer, stap voor stap. Hij schatte in dat ze nu al een goed half uur liepen, hoewel hij meestal niet lang genoeg bij zinnen was om die inschatting te voltooien.

Hij leunde tegen zijn soldaat, zijn redder, die nog steeds strak de helm ophield en geen woord had gezegd. Het voelde verkeerd zijn leven compleet in andermans handen te leggen, maar hij had nu geen keus meer.

“Mijn kinderen,” mompelde zijn zwakke stem. “Zijn ze veilig? Vertel me … alsjeblieft … dat ze veilig zijn.”

“Dat weten we niet.”

“Hoezo?” Zijn keel droogde op. “Laat maar,” zei hij tussen het hoesten door, “fijne redder ben jij.”

Hij zakte door zijn knieën. De soldaat kreunde onder de inspanning, maar wist hem nog overeind te houden. “U moet eten. We stelen wel iets van de bakker.”

“Ik ben géén dief,” mompelde Enriel, maar hij liet zich meesleuren, alsof hij ladderzat was en door een vriend werd thuisgebracht. “Goede man. Géén dief.”

“Wij wel.”

Die opmerking zette Enriel op scherp. Hij was meteen klaarwakker en zag voor het eerst de kleur van de stenen—niet oranjebruin en half afgebrokkeld, maar fel wit en goed verzorgd. Hij probeerde zich los te wrikken. “Je leidt me naar het stadscentrum! Je leidt me terug naar de gevangenis!”

“Sst.” De soldaat leek op het punt Enriel een klap te geven. “Herrie verpest het plan.”

“Je moet me uit de stad halen!”

“Natuurlijk, want de keizer is te stom om alle poorten flink te laten bewaken.”

Hoewel deze mensen hem leken te helpen, kon hij nooit genoeg op zijn hoede zijn. Een beetje intimidatie leek gewaarborgd. “Ik heb krachten.”

“Te onbetrouwbaar.”

“Je hebt gezien wat ik deed.”

“Ik heb vooral gezien wat je niet deed. Je kon kapitein Ork vermoorden, één van de machtigste mannen van het land uitschakelen. In plaats daarvan heeft hij een paar gebroken botten en zit alweer lachend thuis.”

Hij wilde verbaasd opmerken dat dit een vreemde uitspraak was over je eigen kapitein, maar langzaam verscheen het besef dat dit misschien helemaal geen soldaat was.

“Dan moeten we langs mijn huis.”

“Wij weten niet waar u woont, dus we gaan naar onze eigen schuilplek.”

Zei hij nou “wij”? Het was ook bijzonder. Te midden de beste soldaten uit de stad, wist hij te vluchten, met de loodzware Enriel over zijn schouder. Natuurlijk heeft deze persoon handlangers.

Toen pas hoorde hij het orkest van voetstappen. Hij keek opzij en zag nog twee soldaten. Hij keek in alle richtingen en zag de groep aangevuld tot acht soldaten in totaal. Eén uniform stelen en de juiste lochos infiltreren was mogelijk, de halve lochos overnemen niet. Er was maar één mogelijkheid.

Acht soldaten van het stadsleger waren Enriel rond middernacht persoonlijk aan het begeleiden. Maar waarom?

De storm hield aan. Tussen grote druppels water door, verlichtten bliksemflitsen de nachthemel en krijsten vogels de wereld wakker. Hij wist niet waarom ze bleven krijsen: alle andere vogels hielden vast aan hun bestaande repertoire. Hij hoorde het roepen van een uil, hoewel er iets niet klopte en een bange ondertoon zich met de klanken mengde. Hij hoorde het koeren van duiven, hoewel ook hier angst de toon voerde.

De kolonne sloeg linksaf en duwde Enriel in dezelfde richting. Enkele tellen later opende een deur in een van de zijstraten, en de hele groep liep in één vloeiende, geruisloze beweging naar binnen.

Het op slot gaan van de deur transformeerde de groep. De helmen gingen af, ze lachten en vertelden verhalen, terwijl de leider hem op een bed plaatste.

“Eet.” Een homp brood werd in zijn gezicht geduwd. Hij nam dankbaar een hap, en nog een hap, en nog een paar hompen voor de zekerheid. Met elke hap voelde hij de kracht onmiskenbaar terugvloeien in zijn lichaam.

“Ik wil niet vervelend zijn, maar ons was honderd drachmen beloofd door Zerka. Waar kunnen we die vinden?”

Enriel zuchtte diep. Zerka. Je kunt niet zomaar iedereen rijkdom beloven. Een last viel van zijn schouders; zijn kinderen waren veilig en hadden zelfs een reddingsplan bedacht.

“Bij mijn huis, zoals ik al zei. Waar is Zerka?”

“Dat weten we niet, zoals ik al zei.”

“Maar ze moet jullie vannacht nog instructies hebben gegeven?”

“Ze heeft ons maanden geleden instructies gegeven. Sindsdien hebben we haar slechts sporadisch gezien, om te bevestigen dat de afspraak nog steeds stond.”

“Maanden geleden? Zei ze waarvoor ze jullie nodig had?”

“Om jou te helpen. Ze had reden om te denken dat je iets stoms zou doen. Ze zat niet mis.”

“Waarom jullie? Wie zijn jullie? De Kirechus?”

De kamer was ineens gevuld met boze en verontwaardigde blikken. De soldaat praatte simpelweg door. “De Kirechus zijn barbaren. Wilde beesten, vermomd als mensen, tot waanzin gedreven door de goden. Nog één zo’n vergelijking en we gooien je de straat op.”

“Wie dan?”

“Wij zijn soldaten van het eerste lochos van Pa.”

“En toch helpen jullie mij?” Hij wilde het doen klinken als een feit, een commando, maar de onzekerheid droop van iedere lettergreep. Wat heeft Zerka gedaan? Hoe kon ze dit voorspellen?

“Als soldaten leggen we een eed af. Om altijd voor de goede zaak te strijden, voor rechtvaardigheid. Om de onschuldigen te beschermen. Dat doen wij.”

Zo rechtvaardig dat Zerka jullie kon omkopen. Ga jezelf niet te snel schouderklopjes geven. Als ik deze mensen goed inschat …

“Jullie leken … teleurgesteld dat ik kapitein Ork liet leven. Een vreemde suggestie om te wekken over je eigen opperbaas.”

“Hij heeft de hoogste legerfunctie dankzij uw nalatigheid. Een vreemd feit om te vergeten.”

Enriel schudde zijn hoofd. “Ze zetten niet zomaar iemand aan de kop van het stadsleger. Dit was zijn beloning voor honderden succesvolle missies. Hij is de meest onderscheiden man van het hele land.”

“Er zijn … geruchten.”

“Zouden die geruchten mijn oren kunnen bereiken voor vijftig drachmen? Per persoon?”

Een lichte glimlach verscheen op alle gezichten. “Er wordt iets verzwegen. De kapitein heeft iets gedaan—of juist niet gedaan—en de hele Raad doet hun best dit te verhullen. Het is iets ernstigs, iets waarop de doodstraf staat. Maar in plaats van recht te laten geschiedden, is de man gepromoveerd.”

Enriel kon alleen maar knikken. “Dan begrijpen jullie mijn problemen met de Raad.”

“Waarom denkt u dat we onze eigen groep zijn begonnen?”

Hij bleef knikken, opgelucht. Eindelijk mensen die eens aan mijn kant staan. Hij had jarenlang door steden gezworven, getracht mensen om te praten, maar iedereen was te bang om ook maar één slecht woord te spreken over de Raad. Of te verstandig. Of niet boos genoeg—en daar kon hij verandering in brengen.

De glimlach in de kamer was, echter, verdwenen, en de voorste soldaat keek hem geconcentreerd aan.

“We wachten een week. Dan zal de bewaking rondom uw huis zijn verminderd.”

“Ik ga geen week wachten.”

“Zerka zei al dat geduld niet uw sterkste kant was. Wat wil u doen? Tegen dertig man vechten? En dan halverwege per ongeluk uzelf uitschakelen met die zogenaamde krachten?” Enriel had het gevoel dat er nu al een boekje met moppen werd geschreven over hem.

“Ik doe wat nodig is. Ik ga geen week wachten, niet zolang ik mijn kinderen niet heb gezien, niet zolang hun veiligheid op het spel staat.”

De leider schudde zijn hoofd en liep weg. Enriel werd even alleen gelaten, totdat een andere soldaat leuk dacht te zijn.

“Laat je krachten zien dan.” Hij vouwde zijn armen over elkaar en liet zijn grote schaduw precies over Enriel heen vallen. Hij knikte naar een stuk aardewerk op tafel. “Til deze pot op zonder hem aan te raken. Laat hem tien seconden zweven in de lucht, en wij gaan vanavond nog samen langs jouw huis.”

“Een kinderachtig ultimatum. Met zwevend servies ga je geen leger verslaan.”

De man haalde zijn schouders op. “Dan niet.”

Een week. Nog een week zonder mijn kinderen, na de eerste week zonder mijn Piqa. Misschien ben ik zo zwak als ze altijd zei. Maar ik kan dit niet.

“Ik doe het.” Iedereen in de kamer gaf Enriel hun onverdeelde aandacht, terwijl hij naar de rand van het bed schuifelde, zijn onzekerheid gemaskeerd door gedrevenheid. Hij moest tijdrekken. “Ik heb opperste concentratie nodig.”

Mijn kinderen zijn niet meer in gevaar. Zo voelt het ook, hoewel ik ze eerst nog voor de zekerheid wil zien. Waar moet ik de krachten dan vandaan halen?

Hoe laat je iets zweven?

Hij dacht terug aan zijn kindertijd, toen beide ouders nog leefden. Ze woonden in een prachtige villa, aan de rand van de stad, omringd door de natuur, en omringd door mentoren en filosofen uit alle hoeken van de wereld. Die filosofen hebben jarenlang hun uiterste best gedaan om Enriel hun theorieën uit te leggen. Zijn ouders betaalden er flink voor.

Had hij maar beter opgelet.

De krakende stem van zijn oude mentor kwam naar boven, die ondanks zijn leeftijd altijd nog behoorlijk sterk en levendig klonk.

Hoe laat je iets zweven? Dat is triviaal! Je moet zorgen dat het niet valt!

Oh ja, dat woord vond hij altijd leuk. Triviaal. Voor hem was alles overduidelijk en simpel, voor Enriel was het magie, maar niet de leuke variant.

Hoe zorg je dat het niet valt? Je zorgt dat het niet terug wil naar de aarde. Je kent mijn lessen, Enriel, je hoort ze te kennen. Mijn vriend Aristoteles zei het al: alle elementen—aarde, lucht, vuur, water—willen terug naar hun natuurlijke plek. Zorg dat dit aardewerk niet terug wil.

Allemaal leuk en aardig, het hielp Enriel niet. Hij voelde de kamer onrustig worden. Hij moest al minstens een minuut stil zitten, ogen gesloten, en als het stomme ding inmiddels was gaan zweven had hij het wel gemerkt.

Hoe verbiedt je aarde om terug te willen? Triviaal. Je zorgt dat het in balans is, zonder op zijn natuurlijke plek te zijn.

Iemand kuchte ongeduldig. Iets klikte in zijn hoofd—het was zijn enige mogelijkheid, nog langer wachten en hij zou voor eeuwig de moppenman blijven.

Hij focuste niet op het aardewerk, maar op de ruimte eronder. De onzichtbare kracht die het terug wilde trekken naar de aarde. De energie die almaar wilde dat alles van aarde naar hun natuurlijke plek terugging.

En hij trok de energie weg.

Zijn lichaam schokte. De energie moest ergens heen. Het moest een uitgang hebben, iets om de balans te herstellen. Voordat hij een beslissing kon maken, was de energie zijn lichaam ingetrokken.

Het bed waarop hij zat kraakte en kreunde, terwijl hij steeds verder de lakens inzakte, niet in staat om ook maar iets van zijn lichaam nog op te tillen.

Hij was zwaarder geworden. Dat betekende …

Zijn ogen sprongen open en keken in zestien evenzo wijd gespreide ogen. De pot zweefde.

Niet zo stabiel als hij wilde—het leek alsof de pot door tientallen elastiekjes alle kanten op werd getrokken—maar hij zweefde.

In de hoek telde iemand op zijn vingers. Zeven seconden. Acht seconden.

Het was zwaarder dan alles wat hij ooit had gedaan. Zijn aandacht moest volledig, zonder enige twijfel, zonder een tweede gedachte, bij de taak blijven. Zijn lichaam stond onder onhoudbare stress, schokkend en bevend, bijna instortend op zichzelf.

Negen seconden. Kom op, man. Je bent sterker dan dit. Je kunt toch wel een klein dingetje laten zweven?

Tien seconden. De pot viel met een klap terug op de tafel; hijzelf viel met een oorverdovende klap op het bed. Hij voelde zich minstens twee keer zo zwaar, wat werd bevestigd door het protesterende bed.

De energie vloeide langzaam weg, alsof het zich mooi egaal wilde verspreiden over de ruimte, terug naar de natuurlijke staat van balans. Na enkele seconden kon hij zijn ledematen weer bewegen en stond meteen op.

“Laten we gaan.”

Hij was nog steeds duizelig, terwijl zijn lichaam als een vreemde aanvoelde, maar was niet van plan om dat te laten merken. De man die hem had uitgedaagd had al chagrijnig zijn spullen gepakt, maar tot zijn verbazing begon de hele groep hun helm weer op te doen. Eens een lochos, altijd een lochos.

Alleen de soldaat waarmee hij had gesproken, de ogenschijnlijke leider van het geheel, bleef lang stilstaan en hem fronsend aanschouwen. Hij sloot zijn ogen en begon een fluisterend gebed. Pas toen de hele groep al klaarstond om te vertrekken, sprak hij.

“U bent een vreemd man, Enriel. Er zijn maar twee opties: of u bent een bedrieger en een goochelaar, of u bent een halfgod gezonden om ons te helpen.

Ik hoop, voor u, voor ons, en voor uw kinderen, dat het tweede geval de waarheid is.”

B.3 Nomo-nomo

Lala

Lala

Lala

TO DO: De overheid/regering/wat dan ook, heet de Raad. In alle verhaallijnen => update dit. (Het is herkenbaar, het past, en het is kort.)

Zerka heeft, al maanden geleden, mensen “omgekocht” binnen het stadsleger. Piqa was bezorgd, vreesde voor hun veiligheid en vond dat Enriel zich raar gedroeg. Hoewel Zerka dus zijn leven redt, is ze boos en wantrouwig tegenover Enriel.

“Ze komen wanneer mijn kinderen in gevaar zijn” is niet waar. Zijn krachten komen wanneer onrecht geschiedt of wanneer hij buitensporig woedend is (meestal over dat onrecht).

TO DO: Soort vogelgeluiden/code die de kinderen naar Enriel proberen te krijgen.

  • Die vogelgeluiden hebben ook te maken met Quichi die wél is gepakt? Daarom worden ze ook genoemd als krijsende vogels in het begin?

OPMERKING: Hier wordt gehint naar het feit dat woede en humor/lachen tegenpolen zijn, qua energie (en magie) in ieder geval.

We hadden ook weg moeten gaan nadat ze mijn fortuin hadden gejat. Piqa had gelijk. Ze had altijd gelijk. Mensen die zo makkelijk je hele leven uit je zuigen, daarmee moet je niet proberen vrienden te worden.

VOLGENDE HOOFDSTUK LIJN A:

  • Gaan langs bij huis Enriel.
  • Bewaking is nog veel groter dan ze dachten, wat Enriel het idee geeft dat zijn kinderen er toch nog zijn. Hij herinnert zich dat Quichi nooit luisterde, altijd in haar eigen wereld leefde enzo
  • De lochos (die 8 mensen) zien dat de andere helft van hun lochos de wacht houdt.
  • Ze proberen zonder geweld binnen te sluipen en te zien of zijn kinderen er zijn. (En natuurlijk willen zij hun geld zien. Waar Enriel nog steeds mee in de maag zit.)

VOLGENDE HOOFDSTUK LIJN C:

  • Miralla is wel gevallen/gewond, maar nauwelijks. Iedereen doet alsof ze van de fiets is gevallen.
  • Ze is inderdaad die man met het bruine pak vergeten, maar ze weet nog héél zeker dat ze van het dak is gevallen. Het is alsof er een gat in haar geheugen zit; als de beelden langsflitsen, wordt er een stuk doorgespoeld en overgeslagen.
  • Ze voelt zich eenzaam. Al haar familie is dus weg. Ze heeft eigenlijk ook niet zo veel vrienden; alleen Jip en Justin komen langs. Ze barst uit in een emotionele bui, roepend dat moeder terug moet komen
  • Ergens (veel later hoofdstuk) belt haar moeder met haar, voor het eerst. Ze is superblij, totdat ze erachter komt dat moeder helemaal niet de school had ingelicht – haar missie was extreem geheim, echt niemand mocht het weten.
    • Op dat moment … zijn toevallig een paar leraren bij haar thuis, diegene die deden alsof moeder was langsgeweest. Kon ze die nog wel vertrouwen?

Notities naar mezelf

Haha idee voor grappige boektitels:

  1. Blijkbaar is er een probleem
  2. Het is erger dan we dachten
  3. Misschien komt het niet meer goed
  4. Laatste poging dan maar

Verhaallijn A

OPMERKING: Die “aardige bewaker” heeft zelfs nog meer gedaan => hij heeft Enriels kinderen in veiligheid gebracht. Wist dat, wat er ook gebeurde, zijn huis en familie niet veilig zouden zijn.

TO DO: Misschien gaan ze nog terug om die steen te stelen, voordat Enriel definitief met zijn gezin vlucht.

TO DO: Toch iets meer Enriel neerzetten alsof hij ook wat slechte dingen heeft gedaan. (Misschien omdat hij zo arm is en voor zichzelf heeft moeten vechten? Verklaart ook zijn fysieke kracht.) Maakt het nog spannender om te ontdekken waarvan hij wordt beschuldigd en of hij schuldig is.

OPMERKING: Enriel is 32, zijn dorp heet Twirran. Zijn vrouw is dood, hij heeft kinderen.

OPMERKING: Enriel is basically aan het begin van het Griekse tijdperk. Ze hadden geen kalender (en christus was er nog niet), dus ze gebruikten andere meetpunten. De Atolia zijn een verwijzing naar de Anatolia, die aan het begin van de Griekse opleving kwamen en agriculture meebrachten.

“Er zit een oneindige hoeveelheid tijd tussen elke seconde en de volgende. Als je wilt, als je écht traint en focust, kan je oneindig lang leven, nog voordat alle energie uit het universum is verdwenen. Maar wil je dat?”

Verhaallijn B

TO DO: Ik wil in deze verhaallijn eigenlijk heel veel “natuur” referenties maken: metaforen, woordkeuze, opmerkingen, allemaal met natuurlijke en biologische dingen.

https://www.seniorennet.be/Dossier/Natuurbehoud/amazonegebied_de_dieren.php

https://www.seniorennet.be/Dossier/Natuurbehoud/amazonegebied_de_plantengroei.php

TO DO: Een opmerking maken over hoe het kan dat Enriel de boel heeft opgeschreven, en dat de wijze vrouw dat überhaupt kan lezen (en toegang had tot dat materiaal)

TO DO: En natuurlijk iets meer over die “voorspellingen”—welke zijn al uitgekomen en welke moeten er nog gebeuren?

TO DO: “Niemand kijkt ooit omhoog …” => dat is hoe ze uit de hangmat is gevlucht?

Opmerkingen:

  • “Ti” betekent “Ja”
  • “Kino” is hun naam voor de stamleider/het stamhoofd
  • “Kino-Ka” is hun naam voor de vorige stamleider, die na zijn heerschap de opperwijze wordt
  • Ippo heet de hoofdpersoon in deze verhaallijn
  • Tiria is zijn buurmeisje en beste vriendin
  • “Mupi” is een koosnaampje wat iets als “lieve schat” of “moppie” oid betekent.
  • De toon hier is een stuk losser, kinderlijker, naïever.
  • De twee meest dichtbijzijnde stammen zijn de Lekii en de Teri’da
    • De Lekii bezit de helft van het woud, heeft lang geleden de rest iets aangedaan en zichzelf “koning van het woud” gekroond.
  • Blijkbaar is de stam bijna uitgestorven onder de leiding van de Kino-Ka en heeft ze iets te maken met het sterven van de dochter van de Kino.
  • Ze vinden het leuk om de uitdrukking “woorden zijn geen water” te gebruiken
  • Alle titels in deze verhaallijn zijn woorden uit de taal van deze stam, met een belangrijke betekenis. (Eerste woord = Henaku.)
    • Zou gaaf zijn als dit terugkomt in de andere verhaallijnen. Dat ze bijvoorbeeld een oude belangrijke tekst vinden, die moeten vertalen, en dat het dan deze zelfbedachte taal is die je als lezer al de hele tijd meekrijgt.
    • Wat is de Henaku??

Misschien—maar dit is ver in de toekomst—komt Ippo langs in Twirran? Dat is blijkbaar redelijk in de buurt van hun oerwoud?

(En daar had de wijze vrouw Enriels voorspellingen oorspronkelijk gehoord/gevonden? Misschien is dat de beste oplossing: ze heeft die voorspellingen nooit gelezen, ze heeft ze gehoord van de lokale inwoners.)

“The crippled boy shall walk again, but for a price you cannot understand”

IDEEËN:

  • ONTHULLING: Ippo’s vader stamt af van Enriel, daarom heeft hij die enorme woedeproblemen.
    • Hier wordt naar gehint door één van Enriels kinderen, als laatste in diens verhaallijn, naar het regenwoud te sturen om daar een nieuw bestaan op te bouwen.
  • ALGEMEEN IDEE: Hij kan niks meer doen. Vindt hij natuurlijk verschrikkelijk, maar de stam weet ook niet wat ze ermee aan moeten (afstoten? Toch leider maken?)
    • Uiteindelijk proberen ze hem vooral dingen te leren en zo veel mogelijk nog mee te nemen (zo kan ik redelijk wat informatie over het oerwoud en de stammen enzo meegeven)
    • En zijn vader valt op een gegeven moment uit beeld? En dan moet hij de hele stammenoorlog oplossen?
    • NA EEN LANGE TIJD leert hij energie te sturen, en wel op zo’n manier dat hij weer kan bewegen en alles kan doen. Maar … het kost héél veel moeite en energie. Zodanig dat hij twijfelt of dat het wel waard is, aangezien hij zó veel verbruikt en het ergens vandaan moet halen.

Verhaallijn C

Hoofdpersoon heet Miralla. Ze heeft een beste vriendin genaamd Jip (maar ze noemt haar vaak Mip). Gaat naar de middelbare school (wss rond de 16 jaar oud)

Miralla ontdekt dat ze energiestuurkrachten heeft. Daarmee kan ze, in het begin, vooral energie bundelen zodat ze extreem goed kan observeren en nadenken/deduceren. In het begin raakt ze in een soort trans (ziet beelden en informatie voorbij flitsen), maar gaandeweg leert ze om het in de achtergrond te doen.

Haar moeder is op mysterieuze wijze weg aan het begin van haar verhaallijn. Ze heeft ook een broertje.

Haar vader en broer zijn verongelukt toen ze zelf een zaak wilden oplossen, waar de politie niks van wilde weten.

Haar Aardrijkskundedocent heet meneer Eleban. Hij weet vooral veel mythes en verhalen en archeologie, niet per se veel van Aardrijkskunde zelf.

OPMERKING: Elk hoofdstuk krijgt een titel van een “vak” of “vakgebied”. Dat begint natuurlijk met standaard schoolvakken, maar loopt gaandeweg over in deelgebieden van de magie en het natuurstuursysteem.

IDEE (voor volgend hoofdstuk): opmerking van Jip over Miralla’s haar. “Je gaat me toch niet vertellen dat je met deze goddelijke bos krullen wakker wordt?”

JAAAAA: iemand heeft haar dagboek vervalst en zo geprobeerd om Miralla in de val te lokken/te pakken te krijgen. We lezen eigenlijk een soort “twisted version” van haar echte dagboek.

Haar moeder is uitgenodigd vanwege het grote “energieprobleem”. Er verdwijnt steeds meer energie van de aarde, nog sneller dan eerst, en ze hebben geen idee waarom.

(Waarom zijn ze dan toch zo arm? Omdat haar man de kostwinner was, én omdat wetenschappers nauwelijks als vol worden aangezien in de huidige wereld. Beetje maatschappelijk commentaar.)

Wetenschappers over de hele wereld zijn ingeschakeld, maar de groep is niet te groot, want ze willen geen gigantische paniek/hysterie veroorzaken.

(Die man op haar kamer is de natuurkundedocent die enkele hoofdstukken later als vervangende docent zal optreden.)

OUDE LOGBOEK STUKJE:

Het feit blijft dat Justin een leugenaar is. Een dikke, vette leugenaar. Op de basisschool bracht hij me een bloemetje en beloofde dat we zouden trouwen zodra dat mocht. Ik heb het even gecheckt, en in minstens zeven landen zouden we nu al mogen trouwen, maar waar is Justin nu, hè? Wat is hij nu? Mijn “beste vriend”.

Misschien een meer Fantasy naam dan Justin bedenken. Nah, moderne namen zijn goed hier, weet je meteen in welk tijdperk je zit.